Van 19 tot 27 mei 2025 zijn landen in Genève bijeen voor de 78e Wereldgezondheidsvergadering. De bijeenkomst draait om mondiale samenwerking, pandemievoorbereiding en duurzame financiering van de Wereldgezondheidsorganisatie.
Pandemieovereenkomst
De Wereldgezondheidsvergadering (WHA78) vindt plaats in Genève onder het thema One World for Health.1 Deze top staat in het teken van gelijkwaardige gezondheidszorg wereldwijd, met bijzondere aandacht voor samenwerking tijdens wereldwijde gezondheidscrises.
Het meest opvallende agendapunt is de mogelijke goedkeuring van de Pandemieovereenkomst. Deze nieuwe internationale afspraak werd in drie jaar tijd opgesteld door alle lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en moet landen beter voorbereiden op toekomstige pandemieën. Wordt de overeenkomst aangenomen, dan is dit pas de tweede keer in de geschiedenis dat WHO-leden gezamenlijk zo’n verdrag goedkeuren via Artikel 19 van de WHO-grondwet.
De overeenkomst moet voorkomen dat de wereld opnieuw zo zwaar wordt getroffen als tijdens COVID-19. De nadruk ligt op eerlijke samenwerking, snellere informatie-uitwisseling en gezamenlijke preventie- en reactieplannen bij wereldwijde gezondheidsdreigingen.
WHO-financiering onder druk
Naast pandemievoorbereiding speelt financiering van de WHO een grote rol tijdens bijeenkomst. Lidstaten bespreken een geplande verhoging van hun verplichte bijdragen met 20%, als onderdeel van het Programma Budget 2026–2027. Dit budget valt binnen het werkprogramma van de WHO voor de jaren 2025 tot 2028.
Door financiële tegenwind wordt het oorspronkelijke budgetvoorstel van 5,3 miljard dollar met 22% teruggeschroefd naar 4,267 miljard dollar. WHO richt zich daarom op kerntaken en besparingen. Ook voor het lopende jaar 2025 wordt bezuinigd, onder meer door kortere toespraken en minder evenementen.
Op dinsdag 20 mei vindt een speciale fondsenwervingsbijeenkomst plaats, waar landen en donoren hun financiële toezeggingen aan WHO bekendmaken.
Voors en tegens
De pandemieovereenkomst is bedoeld als internationale afspraak om toekomstige pandemieën beter en eerlijker aan te pakken. Maar moeten wij hier nu enthousiast van worden? of kleven er ook risico’s aan?
Een van de kernpunten van de overeenkomst is het streven naar gelijkheid tussen rijke en armere landen. Tijdens de covid-pandemie kregen westerse landen als eerste vaccins, terwijl andere maanden moesten wachten. De nieuwe afspraken moeten ervoor zorgen dat toegang tot medicijnen, vaccins en tests eerlijker worden verdeeld, ook als deze nog in ontwikkeling zijn.
Daarnaast komt er meer aandacht voor lokale productiecapaciteit, vooral in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Hiermee willen landen voorkomen dat ze bij een volgende pandemie volledig afhankelijk zijn van westerse bedrijven of overheden. Kanttekening hierbij is dat veel farmaceuten hun medicatie laten vervaardigen in landen als India en China.
Deze afspraken klinken op papier goed. Toch bestaan er ook gegronde redenen om sceptisch te blijven over de rol van de WHO, mocht er in de toekomst weer een pandemie uitbreken. Zo krijgt de WHO veel macht om ieder land maatregelen op te leggen, zoals lockdowns en vaccinatiebeleid. De nationale soevereiniteit van ieder land kan hiermee onder druk komen te staan.
Ook de mogelijke verplichting tot het delen van gegevens zoals gezondheidsdata van burgers en genetische informatie biedt reden tot zorg. Immers, wie houdt toezicht op het gebruik en de verspreiding van deze data? Hoe wordt voorkomen dat onze gezondheidsgegevens straks belanden bij de ‘Big Pharma’?
De farmaceutische industrie is zelf ook niet erg enthousiast. Deze moet immers met dit verdrag ook onderzoeksinformatie openbaar maken en dit schaadt patenten en inkomsten.2
De vraag is dus vooral hoe deze afspraken in de praktijk zullen uitwerken. Zonder sancties voor landen die zich niet aan het verdrag houden, lijkt het vooral een papieren tijger te worden in plaats van een daadwerkelijke wereldwijde afspraak die effectief en doeltreffend kan worden uitgevoerd.
Bronnen:
