Binnenkort kunnen we weer kiezen voor een zorgverzekeraar. Het gaat om de zorg vanuit de Zorgverzekeringswet: grofweg de medische en paramedische zorg (huisarts, ziekenhuis, wijkverpleging, fysiotherapie etc. en de daaraan gerelateerde kosten). De langdurige zorg (Wlz) en de zorg vanuit de Wmo (gemeenten) horen hier niet bij.
Met de stijging van de zorgkosten (in 2025 is er sprake van een stijging van ongeveer 6% t.o.v. 2024¹), stijgen ook de premies. De vraag is dan: wat zijn de overwegingen voor een keuze?
Het beleid ten aanzien van zorg en zorgverzekering is gebaseerd op twee uitgangspunten. Het gaat, vooral bij politiek links, om solidariteit en bij politiek rechts om marktwerking. Het verminderen of afschaffen van het eigen risico is afgeleid van de solidariteitsgedachte.
Solidariteit?
Solidariteit bestond in vroegere tijden toen mensen voor elkaar zorgden, met professionele zorg vooral voor de armen. Ook de latere ziekenfondsen en kruisverenigingen waren nog gebaseerd op solidariteit.
Het gezamenlijk verzekeren lijkt op solidariteit, maar niemand zal bij het betalen van de zorgpremie of het eigen risico een gevoel van solidariteit ervaren. Verzekeren heeft te maken met risicospreiding: omdat we allemaal altijd iets betalen, voorkomen we grote incidentele tegenvallers. Daarin verschilt de zorgverzekering niet van andere verzekeringen.
Als het werkelijk om solidariteit zou gaan, zouden we bereid zijn méér premie te betalen om onze zieke medemens te helpen. Kiezen voor de goedkoopste verzekering past daar niet bij. Het zou vergelijkbaar zijn met doneren aan het goedkoopste goede doel, in plaats van een keuze op basis van empathie met een doel of doelgroep.
Het eigen risico verminderen voor iedereen, ook voor mensen met een goed inkomen, is symboolpolitiek, omdat de kosten van de zorg eerder stijgen dan afnemen en (wellicht) vanuit de premie moeten worden betaald. Met solidariteit heeft dit niets te maken. Echte solidariteit zou aanleiding kunnen zijn om het inkomen van mensen met het laagste inkomen te verhogen of om kosten inkomensafhankelijk te maken, zoals bij de Wet langdurige zorg gebeurt.
Marktwerking?
De bedoeling van marktwerking is dat consumenten een kwaliteit-prijsafweging maken, waarmee zij aanbieders sturen richting gewenste kwaliteit tegen de laagste kosten.
Deze zogenaamde marktwerking is in 2006 ingevoerd binnen de Zorgverzekeringswet. Voor de aanvullende verzekeringen, waar keuzevrijheid bestaat voor zowel verzekeraar als verzekerde, is er inderdaad marktwerking. Maar bij het basispakket is daar geen sprake van: het basispakket wordt vastgesteld door de Rijksoverheid en is voor alle verzekeraars gelijk.
Bovendien zijn Nederlanders verplicht verzekerd en hebben verzekeraars de wettelijke acceptatieplicht en de plicht om verzekerden toegang te geven tot noodzakelijke zorg binnen redelijke tijd en afstand. De vrije keuze is dus beperkt tot de premie, die verzekeraars zelf mogen vaststellen – en dat is geen marktwerking.
Daar komt bij dat de zorgkosten sinds de invoering van de marktwerking bepaald niet zijn gedaald. Het sturen op het gebruik van noodzakelijke zorg is voor verzekeraars feitelijk onmogelijk.
Wat betekent dit?
Van echte solidariteit en echte marktwerking is bij de zorgverzekering geen sprake. Wat overblijft is een op wantrouwen gebaseerde administratieve controle- en verantwoordingsstructuur. Die belast niet alleen zorgverleners, maar ook verzekeraars – en maakt de zorg niet beter en niet goedkoper.
Als mensen toch aanhanger zijn van deze pseudomarktwerking, kunnen ze kiezen voor de goedkoopste zorgverzekeraar. Wie nog een greintje solidariteit nastreeft, kan kiezen voor de verzekeraar met het kleinste vermogen, of simpelweg blijven bij de vertrouwde verzekeraar.
Iedereen kan zichzelf daarnaast een plezier doen door zo gezond mogelijk te leven en te kiezen voor een hoger eigen risico met een lagere premie. Hebben mensen pech en toch zorg nodig, dan mogen ze blij zijn dat ze in Nederland wonen: waar we goede zorg hebben tegen relatief lage kosten.
Bron:
