Mannen met niet-uitgezaaide prostaatkanker leven mogelijk langer wanneer zij dierlijke en verzadigde vetten vaker vervangen door plantaardige, onverzadigde vetten. Vooral het risico op overlijden aan hart- en vaatziekten lijkt lager. Het voedingspatroon hield geen verband met sterfte door prostaatkanker zelf.
Dat blijkt uit een grote Amerikaanse studie onder 4.884 mannen met niet-uitgezaaide prostaatkanker. De resultaten verschenen op 2 september 2026 in JAMA Network Open. De deelnemers waren gemiddeld bijna 70 jaar toen zij de diagnose kregen. Zij werden na hun diagnose gemiddeld bijna dertien jaar gevolgd.
Mannen die na hun diagnose de meeste verzadigde vetten aten, hadden een 24 procent hoger risico om tijdens de onderzoeksperiode te overlijden dan mannen die daarvan het minst aten. Het verschil kwam vooral door sterfte aan hart- en vaatziekten en andere vormen van kanker. Het risico op overlijden aan hart- en vaatziekten lag in de groep met de hoogste inname 42 procent hoger.
Ook het soort vet waarmee iemand verzadigd of dierlijk vet verving, bleek van belang. Wanneer volgens de berekeningen 10 procent van de dagelijkse energie uit dierlijk vet werd vervangen door plantaardig vet, hing dat samen met 16 procent minder sterfte door alle oorzaken. Het vervangen van 5 procent van de energie uit verzadigd vet door enkelvoudig onverzadigd vet ging samen met een 20 procent lager sterfterisico.
Voorbeelden van zulke plantaardige vetbronnen zijn olijfolie, noten, zaden en avocado. Verzadigde vetten zitten onder meer in boter, vet vlees en volvette zuivelproducten. De American Heart Association adviseert eveneens om voedingsmiddelen met veel verzadigd vet vaker te vervangen door producten met onverzadigde vetten. Dat kan onder andere helpen om het LDL-cholesterol te verlagen en het risico op hart- en vaatziekten te beperken.
De onderzoekers gebruikten gegevens uit de langlopende Health Professionals Follow-Up Study. De mannen kregen tussen 1986 en januari 2019 de diagnose niet-uitgezaaide prostaatkanker. Elke vier jaar vulden zij uitgebreide vragenlijsten over hun voeding in. Daarmee berekenden de onderzoekers onder meer de inname van verzadigde, enkelvoudig onverzadigde, meervoudig onverzadigde, dierlijke en plantaardige vetten.
Tijdens de onderzoeksperiode overleden 3.040 deelnemers. Van hen overleden 803 aan hart- en vaatziekten, 499 aan andere vormen van kanker en 441 aan prostaatkanker. De onderzoekers corrigeerden hun berekeningen voor uiteenlopende factoren die de overleving kunnen beïnvloeden. Daaronder vielen leeftijd, stadium van de tumor, behandeling, lichaamsgewicht, roken, lichaamsbeweging en verschillende andere aandoeningen.
Opvallend was dat geen van de onderzochte soorten vet duidelijk samenhing met de kans om aan prostaatkanker zelf te overlijden. De mogelijke winst lijkt dus vooral te liggen bij de algemene gezondheid na de diagnose. Dat is relevant omdat mannen met niet-uitgezaaide prostaatkanker vaak nog vele jaren leven en in die periode ook risico lopen op hart- en vaatziekten en andere aandoeningen.
De resultaten betekenen niet dat plantaardige vetten bewezen de levensduur verlengen. Het gaat om observationeel onderzoek. De onderzoekers veranderden het voedingspatroon van de deelnemers niet, maar volgden wat zij zelf aten. Daardoor kunnen andere verschillen tussen mensen een deel van het gevonden verband verklaren. Voedingsvragenlijsten zijn bovendien niet volledig nauwkeurig. De onderzoeksgroep bestond voor 97 procent uit witte Amerikaanse mannen, waardoor nog onzeker is of de resultaten voor alle bevolkingsgroepen hetzelfde zijn.
De bevindingen sluiten wel aan bij bestaande adviezen voor een hartgezond voedingspatroon. De American Heart Association adviseert in haar richtlijnen van 2026 om verzadigde vetbronnen waar mogelijk te vervangen door onverzadigde vetten en vooral naar het totale voedingspatroon te kijken.
Voor mannen die na prostaatkanker hun voeding willen aanpassen, kan het dus zinvol zijn vaker te kiezen voor bijvoorbeeld olijfolie, noten, zaden en andere plantaardige vetbronnen. Bespreek grotere veranderingen in het voedingspatroon altijd met de behandelend arts.
Bronnen:
10.1001/jamanetworkopen.2026.30693
