Ozempic remt mogelijk longschade

ozempic voorkomt longschade

Mensen met diabetes type 2 lopen na een corona besmetting meer kans op langdurige longschade. Nieuw onderzoek suggereert dat GLP-1-medicijnen, zoals semaglutide (Ozempic) en tirzepatide (Mounjaro), deze littekenvorming mogelijk kunnen afremmen door een overmatige ontstekingsreactie in de longen te verminderen.

Mensen met diabetes type 2 hebben een grotere kans op langdurige klachten na COVID-19 dan mensen zonder diabetes. Daarbij komt ook een verhoogd risico op longfibrose, een aandoening waarbij gezond longweefsel geleidelijk wordt vervangen door littekenweefsel. Daardoor worden de longen stijver en kost ademhalen steeds meer moeite.

Nieuw onderzoek van de Universiteit van Hongkong laat zien dat GLP-1-receptoragonisten mogelijk bescherming bieden tegen deze vorm van blijvende longschade.

De onderzoekers wilden begrijpen waarom mensen met diabetes type 2 gevoeliger zijn voor longfibrose na een SARS-CoV-2-infectie. Daarvoor combineerden zij gegevens van patiënten die met COVID-19 in het ziekenhuis waren opgenomen met experimenten bij muizen. In totaal werden gegevens van negentig patiënten onderzocht, van wie elf diabetes type 2 hadden.

De onderzoekers bekeken tijdens de ziekenhuisopname en twee tot drie maanden later welke afweercellen actief waren en welke genen betrokken waren bij ontsteking en littekenvorming.

Bij mensen met diabetes type 2 bleek een bepaalde groep afweercellen, monocyten, langdurig actiever te blijven. Deze cellen kunnen uitgroeien tot macrofagen, afweercellen die een belangrijke rol spelen bij ontstekingen. Ook werden hogere concentraties gevonden van genen en eiwitten die samenhangen met longfibrose.

De dierproeven lieten een vergelijkbaar beeld zien. Muizen met diabetes ontwikkelden ernstigere COVID-19, hadden meer virus in de longen en vertoonden duidelijk meer littekenvorming dan gezonde muizen.

Bovendien stroomden na de infectie grotere aantallen macrofagen de longen binnen. Toen onderzoekers deze afweercellen verwijderden, namen zowel de ontsteking als de vorming van littekenweefsel af. Dat suggereert dat deze cellen een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van blijvende longschade.

In een laatste experiment kregen besmette muizen met diabetes een GLP-1-receptoragonist toegediend. Deze dieren ontwikkelden aanzienlijk minder longfibrose dan onbehandelde muizen. De onderzoekers zagen bovendien dat de medicijnen het gedrag van de macrofagen veranderden. Daardoor ontstond minder ontstekingsactiviteit en werden genen die betrokken zijn bij littekenvorming minder sterk geactiveerd.

De resultaten wijzen erop dat GLP-1-medicijnen mogelijk meer doen dan alleen de bloedsuiker verlagen. Ze lijken ook invloed uit te oefenen op het afweersysteem. Opvallend was dat de bescherming tegen longschade grotendeels aanwezig bleef, ook wanneer de bloedsuiker nauwelijks verbeterde. Dat ondersteunt het idee dat de geneesmiddelen rechtstreeks de ontstekingsreactie beïnvloeden.

Toch benadrukken de onderzoekers dat voorzichtigheid nodig is. Het grootste deel van de bevindingen is afkomstig uit dieronderzoek en het aantal onderzochte patiënten was beperkt. Daarom kan nog niet worden geconcludeerd dat GLP-1-medicijnen longfibrose of langdurige COVID-klachten bij mensen voorkomen. Daarvoor zijn grotere klinische onderzoeken nodig.

Wel sluiten de resultaten aan bij eerdere onderzoeken waaruit bleek dat sommige diabetesmedicijnen ontstekingsreacties kunnen verminderen. Ook metformine is eerder in verband gebracht met een lager risico op langdurige COVID-klachten. Mogelijk werken beide behandelingen gedeeltelijk via dezelfde biologische route.

De nieuwe studie biedt daarmee een belangrijk aanknopingspunt voor vervolgonderzoek. Als de resultaten in grotere studies worden bevestigd, kunnen GLP-1-medicijnen in de toekomst mogelijk niet alleen helpen bij diabetes type 2 en obesitas, maar ook bijdragen aan het beperken van blijvende longschade na COVID-19.

Mensen met diabetes die vragen hebben over hun behandeling doen er goed aan deze met hun behandelend arts te bespreken.

Bron: https://journals.asm.org/doi/10.1128/jvi.00401-26