Veel politici spreken zich uit over marktwerking in de zorg. Volgens sommigen helpt concurrentie om kosten te beteugelen. Volgens anderen leidt het juist tot meer kosten en minder kwaliteit. De uitspraken van voor- en tegenstanders zijn niet altijd onderbouwd. Ten eerste heeft men het over Dé Zorg, maar die bestaat niet.
De gezondheidszorg is namelijk enorm verdeeld. Zo is er huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, verpleeghuiszorg, thuiszorg, wijkverpleging, tandheelkundige zorg, revalidatiezorg, ggz- en verslavingszorg, kraamzorg, zorg via diëtetiek, fysiotherapie, logopedie, podotherapie, psychotherapie, farmacie, zorg rond medische en verpleegkundige hulpmiddelen, preventiezorg, alternatieve zorg en nog veel meer. Al deze disciplines zijn weer onder te verdelen in sub- en superspecialisaties.
Marktwerking bij schaarste werkt averechts
De verschillende zorgonderdelen worden geregeld en gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet (door zorgverzekeraars) en/of de Wet langdurige zorg (door zorgkantoren) en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning. De Zorgverzekeringswet is het meest particulier georganiseerd, met overheidsregelingen en onder andere een eigen risico.
De Wet maatschappelijke ondersteuning valt volledig onder de (gemeentelijke) overheid, met een beperkte eigen bijdrage ongeacht de kosten. De Wet langdurige zorg zit hiertussen in. Het is onmogelijk om al deze verschillen te negeren en te praten over Dé Zorg.
Ten tweede heeft men het over ‘marktwerking’. Die is er niet in de zorg. Marktwerking wil zeggen dat cliënten of patiënten een afweging maken tussen kwaliteiten en kosten, en op grond daarvan kiezen voor een dienst of product. Met hun keuzes sturen de afnemers de aanbieders.
Verreweg de meeste onderdelen in de zorg worden echter ingekocht door grootmachten: verzekeraars, zorgkantoren en gemeenten. Patiënten en cliënten kunnen soms kiezen in het voor hen, door anderen gecontracteerde aanbod. Maar de betaling is extern geregeld en de eigen bijdrage staat los van de kwaliteiten.
De bedoeling van inkopers is om de concurrentie tussen aanbieders te vergroten en daarmee efficiëntie en lagere tarieven af te dwingen. Met concurrentie is op zich niets mis, zeker niet als het leidt tot competitie op het gebied van kwaliteit. Marktwerking kán soms een middel zijn om de verhouding van kwaliteit en kosten te optimaliseren.
In de farmacie bijvoorbeeld, met monopolies bij aanbieders, zou de concurrentie groter mogen zijn. Bij spoedeisende hulp lijkt marktwerking niet zinvol, er moet immers vooral snel worden gehandeld.
Wanneer concurrentie zich te veel richt op kosten, gebeurt er iets anders bij zorgaanbieders. Zij zoeken kwaliteitsgrenzen op om een lager tarief aan te kunnen bieden en daarmee productieafspraken binnen te halen. Het werken met ongediplomeerd personeel, ontwijken van cao-afspraken en het kiezen voor minder complexe patiënten en cliënten zijn daar voorbeelden van.
Wanneer samenwerking tussen aanbieders nodig is om de groeiende hoeveelheid zorgvragen goed en flexibel te beantwoorden, dan werkt marktwerking averechts.
Soms zouden we échte marktwerking willen, zodat mensen ook echt kunnen kiezen. Met een persoonsgebonden budget, waarbij mensen zelf zorg inkopen, is dat mogelijk. Op die manier worden aanbieders gedwongen meer rekening te houden met de wensen van hun patiënten en cliënten met betrekking tot kwaliteiten en kosten.
Zonder transparantie werkt de ‘markt’ echter niet. Vergelijken is dan onmogelijk, de prijs-kwaliteitverhouding is immers onzichtbaar waardoor er ruimte ontstaat voor inefficiënties, kostenverhogingen, kwaliteitsverschraling en misbruik.
Jo Caris
