Vet is niet slecht

Hartaandoeningen zijn de belangrijkste doodsoorzaak in de westerse wereld . Maar hoewel deze ziekten meer artsen bezighouden dan enige andere tak van de geneeskunde, blijkt uit recente ontdekkingen dat ons inzicht in deze aandoeningen een aantal fundamentele tekortkomingen vertoont. Vooral het uitgangspunt dat in de hele geneeskunde wordt gehanteerd dat vet eten en een hoge cholesterolwaarde de voornaamste boosdoeners zijn, staat ter discussie.

De ingeburgerde opvatting over hart- en vaatziekten berust op drie vooronderstellingen: 1) hart- en vaatziekten zijn voornamelijk het gevolg van een dieet met veel vet; 2) een hoge vetconsumptie leidt tot cholesterol in het bloed, dat aan de wand van de bloedvaten blijft kleven en hartziekte veroorzaakt; en 3) cholesterolverlagende geneesmiddelen (statines) redden levens.
Deze drie hoekstenen van het ‘industriële hart- en vaatziektencomplex’ vormen een informele, maar wederzijds versterkende alliantie van cardiologen, voedselproducenten en farmaceutische bedrijven. Steeds meer artsen geloven echter dat dit gebouw, als het al niet aan het afbrokkelen is, toch op z’n minst op een onvaste bodem is gebouwd. Er zijn namelijk steeds meer aanwijzingen dat deze vooronderstellingen alledrie simpelweg verkeerd zijn.

De overgeleverde wijsheid houdt in dat ‘verzadigde vetten’, die voornamelijk van dieren afkomstig zijn, de grootste boosdoeners zijn als het gaat om hart- en vaatziekten. De oorsprong van deze theorie gaat terug tot de jaren vijftig, toen de Amerikaanse voedingsdeskundige Ancel Keys een internationale vergelijking maakte voor dagelijkse voeding en ziekten. Hij concentreerde zich op slechts zes landen en vond dat de landen met de hoogste vetconsumptie per hoofd van de bevolking ook relatief het hoogst scoorden op hart- en vaatziekten.1

Uit deze beperkte gegevens heeft de geneeskunde vervolgens de bekende hypothese afgeleid dat vet  cholesterol  atherosclerose  hart- en vaatziekte. Maar de gegevens waren niet volledig. Intussen weten we dat er geen verband tussen vet en hart- en vaatziekte zou zijn gevonden als Keys zich had gebaseerd op de gegevens uit 22 landen (die toen ook al beschikbaar waren).
Toen Keys later op zijn fout werd geattendeerd, heeft hij nog geprobeerd zijn eerdere conclusies te herroepen, maar zonder succes. Zijn theorie had al wortel geschoten binnen de geneeskunde en de voedingsmiddelenindustrie, waar de kreet ‘weinig vet’ al een revolutie in gang had gezet waardoor goedkope levensmiddelen die weinig vet bevatten al werden aangeprezen als de nieuwe ‘gezonde’ manier om hartziekten te voorkomen.

Veel vet versus weinig vet

Een van de onderzoeken die vaak worden aangehaald om het verband tussen vet, cholesterol en hart- en vaatziekten te ondersteunen, is de Framingham Heart Study (naar een stadje in Massachusetts waar de afgelopen vijftig jaar de gezondheidsdossiers van alle 6000 inwoners elke vijf jaar nauwgezet zijn onderzocht). Vaak wordt echter niet gekeken naar de uitkomsten die in kleine lettertjes worden beschreven. Hoewel er wel een verband tussen de totale cholesterolwaarde in het bloed en hart- en vaatziekten is gevonden, is er namelijk geen verband tussen vetconsumptie en cholesterol, eerder misschien zelfs het omgekeerde. Zoals dr. William Castelli, directeur van het onderzoek in Framingham, heeft opgemerkt: ‘Hoe meer verzadigd vet en cholesterol men eet, des te lager is de cholesterolwaarde in het bloed.’2

Die onthulling is onlangs bevestigd door een vrij onbekende klinische studie die een nieuwe bres in de traditionele theorie heeft geslagen. Artsen aan Duke University vergeleken de effecten van twee strenge diëten op 120 mensen met overgewicht en een hoge cholesterolwaarde voor hun bloed. Zestig van hen volgden een halfjaar lang een dieet met weinig vet en weinig cholesterol, de rest had een dieet met weinig koolhydraten waardoor ze ‘onbeperkte hoeveelheden dierlijk voedsel […] en eieren’ mochten gebruiken plus een aantal groenten met weinig koolhydraten.

Bij de analyse vonden de onderzoekers dat de mensen met weinig koolhydraten in hun dieet zoveel vlees aten dat zij gemiddeld een onthutsende 68 procent van hun dagelijkse calorieën uit vet haalden. Maar toch was de hoeveelheid triglyceriden (vetten) in hun bloed na zes maanden minder dan daarvoor en zelfs, een nog grotere verrassing, lager dan bij degenen met een vetarm dieet. Bovendien was hun cholesterolwaarde weliswaar hoger, maar was voornamelijk de ‘goede’ HDL-cholesterol toegenomen terwijl de ‘slechte’, met ziekte verband houdende LDL-cholesterol alleen maar in zeer onbetekenende zin was toegenomen.

De mensen met een vet dieet slaagden er ook in om twee keer zoveel af te vallen als de mensen met een vetarm dieet (resp. 12,9 en 6,7 procent).3
Het verhaal van de cholesterol en hart- en vaatziekten heeft nog een fascinerende wending genomen waarmee de traditionele theorie nog verder onderuit werd gehaald. Het is al enige tijd bekend dat niet de totale cholesterolwaarde van belang is, maar dat de verhouding tussen HDL-cholesterol (high density lipoprotein) en LDL-cholesterol (low density lipoprotein) belangrijk is. Hoe hoger de relatieve waarde van HDL, des te kleiner de kans op hart- en vaatziekten.

Een andere ontdekking was dat er twee soorten LDL zijn, waarvan de een meer verband houdt met hart- en vaatziekten dan de ander. De sleutel is misschien niet zozeer de dichtheid als wel de omvang: hoe kleiner het LDL-deeltje, des te dodelijker. Onderzoekers hebben LDL verdeeld in een fenotype A (groot en betrekkelijk onschuldig) en B (klein en ‘slecht’).
En opnieuw is een dieet met veel vet de winnaar. In een studie van het prestigieuze Lawrence Berkeley National Laboratory in Californië vonden de onderzoekers dat wanneer gezonde mannen een dieet met 20 procent vet kregen, zij ongeveer 50 procent LDL-B in hun bloed hadden, maar dat dit daalde naar 20 procent wanneer het dieet voor 45 procent uit vet bestond. Er is dus duidelijk een omgekeerde relatie tussen de hoeveelheid vet in het dieet en de hoeveelheid ‘slechte’ LDL-B. Zij vonden ook dat het vetarme dieet bij veel mannen ervoor zorgde dat onschuldig LDL-A werd omgezet in het dodelijke LDL-B.4

Het is duidelijk dat het cholesterolverhaal niet zo eenvoudig is als men ons wil laten geloven en dat geldt ook voor het idee dat ‘vet tot hartkwalen leidt’. De grootste klap tot dusver is uitgedeeld door Zweedse artsen toen zij de resultaten bekend maakten van een vijfjarig onderzoek onder bijna 30.000 mensen van middelbare leeftijd in Malmö. Toen zij keken naar de vetconsumptie en het aantal sterfgevallen – met name als gevolg van kanker of een hartaandoening – had de enige correlatie die zij konden vinden betrekking op kanker bij vrouwen, voor wie een dieet met veel vet schadelijk bleek te zijn.

Er werd echter geen relatie gevonden tussen hartziekten en overlijden in het algemeen. Een hoge vetconsumptie ging niet gepaard met een hogere sterfte; eerder het omgekeerde. De hoogste vetconsumptie leidde tot de minste sterfgevallen en omgekeerd. ‘De huidige dieetadviezen voor het eten van vet worden over het algemeen niet door onze resultaten ondersteund,’ zo concluderen de artsen. Met andere woorden, het officiële advies om de totale hoeveelheid vet in het dieet beneden 30 procent en de hoeveelheid verzadigde vetten beneden 10 procent te houden is gewoon niet juist.5

De Zweedse uitkomsten vinden weerklank in verschillende andere landen en populaties, waarbij een dieet met veel vet een heilzaam effect heeft op de gezondheid of in elk geval geen schadelijk effect blijkt te hebben. Duidelijk is dat we nog eens goed moeten nadenken over vetten, cholesterol en gezondheid.

Veel vet en toch gezond

Er zijn al enkele artsen tot inkeer gekomen: zij spreken zich uit vóór meer vetten en erkennen dat de traditionele boodschap dat vetten slecht voor de gezondheid zijn de zaken op hun kop zet. ‘Wij hebben een heleboel vet nodig,’ zegt neuroloog Russell Blaylock. ‘Vetten vormen een groot deel van onze hormonen, laten onze cellen met elkaar communiceren, worden opgebouwd tot celmembranen, beslaan 60 procent van de hersenen en vergroten de immuniteit, om slechts enkele belangrijke functies van vetten te noemen.’

In feite is het vet dat het lichaam zelf maakt, ook verzadigd. Dit wordt gebruikt als een belangrijke opslagplaats van energie en recent onderzoek heeft aangetoond dat het lichaam daarnaast nog verzadigde vetten moet binnenkrijgen om zijn eigen vetopslag beter te kunnen benutten.6 Er zijn ook nieuwe aanwijzingen dat een dieet met veel vet een positieve invloed kan hebben op neurodegeneratieve stoornissen zoals de ziekten van Alzheimer en Parkinson, eigenlijk op een ‘breed scala van stoornissen die te maken hebben met het afsterven van hersencellen’.7 Omgekeerd kunnen vermoeidheid, slechte concentratie en depressie het gevolg zijn van weinig verzadigde vetten in het lichaam.

De reden daarvoor, zo denkt men, is een tekort aan cholesterol omdat de serotoninereceptoren in de hersenen cholesterol nodig hebben om goed te kunnen functioneren.8
Ook cholesterol heeft, net als vet, nog vele andere belangrijke functies. Cholesterol is beslist niet de vijand van het lichaam waarvoor het traditionele denken haar aanziet, maar een waardevolle stof die het lichaam zelf aanmaakt. Van alle cholesterol in ons bloed is er maar weinig direct van ons voedsel afkomstig; het grootste deel wordt in de lever aangemaakt. Dat komt doordat cholesterol de celmembranen en darmwand verstevigt, gal maakt en van vitaal belang is voor de hormoon- en vitamineproductie. Cholesterol kan zelfs als antioxidant optreden en de immuniteit vergroten.

Geen wonder dat ‘mensen met een hoge cholesterolwaarde het langst leven’, zegt medisch onderzoeker dr. Uffe Ravnskov. ‘Dit lijkt een ongelooflijke uitspraak, maar uit wetenschappelijke publicaties en met name onderzoek bij ouderen blijkt duidelijk dat het waar is.’ Een van die onderzoeken is verricht door de Yale University en daarin bleek dat het aantal sterfgevallen aan een hartaanval onder oudere mensen met een hoge cholesterolwaarde half zo groot was als bij hun leeftijdgenoten met een lage cholesterolwaarde.9

In een ander uitstekend onderzoek vonden artsen van het London Imperial College dat een hoge cholesterolwaarde de mensen beschermde tegen chronisch hartfalen waardoor het sterftecijfer ingrijpend afnam. ‘De kans op overleven neemt met 25 procent toe bij elke toename met 1 mmol/l (38,6 mg/dl) aan totale cholesterol,’ zo melden zij. 10 In Nederland hebben wetenschappers de 200 jaar bestrijkende dossiers van twee families onderzocht die een erfelijk bepaalde, hoge cholesterolwaarde hadden en daarbij geen hogere sterfte gevonden dan bij families zonder deze conditie.11

Is er nou een verband tussen hartaandoeningen en cholesterolwaarde? Ja, dat is er wel, maar de gegevens zijn lang niet zo consistent als de gevestigde opvatting het doet voorkomen. Een aanzienlijke minderheid van het klinische onderzoek geeft een omgekeerde relatie te zien, waarbij minder cholesterol tot meer hartaanvallen leidt. In feite vindt meer dan 60 procent van alle hartaanvallen plaats bij mensen met een normale cholesterolwaarde, terwijl de meeste mensen die een hoge cholesterolwaarde hebben helemaal nooit een hartaanval krijgen. ‘Bedenk dat meer dan 90 procent van alle cardiovasculaire aandoeningen zich voordoet bij mensen ouder dan zestig jaar,’ zegt dr. Ravnskov, ‘en dat bijna alle studies hebben gevonden dat een hoge cholesterolwaarde geen risicofactor voor vrouwen of ouderen is.

Dat betekent dat een hoge cholesterolwaarde slechts een risicofactor is voor nog geen 5 procent van alle mensen die aan een hartaanval overlijden.’
Maar toch neemt het aantal hart- en vaatziekten toe, al bijna een eeuw lang. Dus als noch het vet noch de cholesterol de boosdoener is, wat is het dan wel?

Een industrieel probleem

Veel voedingsdeskundigen wijzen nu met een beschuldigende vinger naar de moderne, industrieel vervaardigde voedingsmiddelen. ‘Het is een vrij onbekend gegeven dat hart- en vaatziekten voor 1920 zeldzaam waren in westerse landen als de VS,’ zegt baanbrekend voedingsdeskundige dr. Mary Enig van de Weston Price Foundation, ‘maar dat het aantal de eerste veertig jaar daarna dramatisch is gestegen. Als hartziekten het gevolg zijn van het nuttigen van verzadigde vetten, zoals men ons voorhoudt, zouden we een corresponderende toename in de consumptie van dierlijke vetten verwachten. In werkelijkheid is het omgekeerde het geval. In Amerika was tijdens de periode van 1910 tot 1970 een aanzienlijke daling te zien in het aandeel van traditionele dierlijke vetten in het nationale dieet.’

Enig heeft aangetoond dat de toename van het aantal hartaandoeningen correspondeert met het moment dat er meervoudig onverzadigde plantaardige oliën in voedingsmiddelen werden opgenomen. Margarine, dat in 1916 is uitgevonden, is het oudste en bekendste voorbeeld hiervan, maar al snel volgden duizenden andere voedingsmiddelen. ‘Een van de redenen waarom meervoudig onverzadigde vetten gezondheidsproblemen veroorzaken is dat zij geoxideerd worden wanneer zij aan hitte blootstaan, zoals bij de industriële productie van voedingsmiddelen, en dan vrije radicalen produceren,’ zegt Enig. ‘Die zijn chemisch bijzonder reactief; ze brengen schade toe aan de bloedvaten en zetten atherosclerose in gang.’
De schadelijkste bewerking in de voedingsmiddelenindustrie, zo denkt men, is hydrogenisering of harding. Met deze techniek worden meervoudig onverzadigde plantaardige oliën omgezet in verbindingen die op dierlijke vetten lijken. Het probleem is dat geharde oliën grote hoeveelheden van de toxische transvetzuren bevatten, die alomtegenwoordig zijn in alle soorten industrieel geproduceerde voedingsmiddelen.

Enig denkt dat niet de dierlijke vetten, maar de geharde oliën en hun transvetzuren primair verantwoordelijk zijn voor het toegenomen aantal hartaandoeningen, een conclusie die in elk geval gedeeltelijk wordt ondersteund door een recent, kwalitatief hoogwaardig bevolkingsonderzoek. Ongeveer een jaar geleden brachten onderzoekers aan de Harvard School of Public Health verslag uit over hun analyse van de consumptie van transvetzuren en het voorkomen van hartaandoeningen over een periode van zeker tien jaar. Dit verslag sloeg bij zowel de voedingsmiddelenindustrie als bij onderzoekers op het gebied van hart- en vaatziekten in als een bom. ‘Transvetzuren spelen een grote rol bij hartaandoeningen,’ verklaart de leider van het onderzoek, professor Walter Willetts. ‘De relatie met hart- en vaatziekten is aanzienlijk sterker dan voor verzadigd vet.’

Transvetzuren, zo heeft hij aangetoond, hebben bijzonder nare effecten: ze leiden tot verhoogde waarden voor triglyceriden en ‘slechte’ LDL-cholesterol en veroorzaken ontstekingen in de bloedvaten; van allebei is bekend dat ze hart- en vaatziekten veroorzaken.12 Bovendien zijn er nu objectieve fysische bewijzen voor de schade die transvetzuren aan de bloedvaten kunnen aanrichten. In een studie die weinig publiciteit heeft gekregen, hebben Britse onderzoekers de bloedvaten onderzocht van mensen die aan een hart- en vaatziekte waren overleden. Zij troffen een veelbetekenende vetafzetting aan op de wanden van de bloedvaten.

Hun analyses van deze afzettingen brachten de theorie over het verband tussen veel vet en hart- en vaatziekten nog een klap toe, omdat zij ontdekten dat die vetaanslag helemaal geen verzadigde vetten en nauwelijks enige cholesterol bevatte, maar vol zat met grote hoeveelheden meervoudig onverzadigde vetten en transvetzuren.13 Deze uitkomst werd bevestigd door onderzoekers in Polen.14

Er is nog één ander stukje van de puzzel dat niet mag ontbreken. Na ijverig speurwerk in de archieven van het onderzoek naar hartziekten ontdekte dr. Enig dat onderzoekers tot het midden van de jaren tachtig geen onderscheid maakten tussen verzadigde vetten en transvetzuren en die twee in hun dieetanalyses op één hoop gooiden.15 ‘Vandaar dat de natuurlijk verzadigde vetten van oudsher besmeurd zijn met de zwarte vegen van onnatuurlijke geharde plantaardige oliën,’ zegt zij.

Daarmee is de cirkel rond en is er een antwoord op al die raadselachtige ongerijmdheden gevonden. Waarom vinden zoveel studies de laatste tijd geen verband tussen het consumeren van veel verzadigde vetten en hart- en vaatziekte en waarom hebben zoveel bevolkingsgroepen met een hoge vetconsumptie zo weinig hartaandoeningen? Het antwoord is simpel: geen transvetzuren = geen hart- en vaatziekten. Q.e.d.

BRONNEN:
1 Lancet, 1957; i: 959
2 Arch Intern Med, 1992; 152: 1371-1372
3 Ann Intern Med, 2004; 140: 769-777
4 Am J Clin Nutr, 1999; 69: 411-418
5 J Intern Med, 2005; 258: 153-165
6 FASEB J, 1988; 2: A852
7 Behav Pharmacol, 2006; 17: 431-439
8 Br J Psychiatry, 2000; 176: 398-400
9 JAMA, 1994; 272: 1335-1340
10 J Am Coll Cardiol, 2003; 42: 1933-1940
11 BMJ, 2001; 322: 1019-1023
12 N Engl J Med, 2006; 354: 1601-1613
13 Lancet, 1994; 344: 1195-1196
14 Eur J Nutr, 2004; 43: 313-318
15 J Am Coll Nutr, 1990; 9: 471-486


Testen op hart- en vaatziekten

• C-reactief proteïne (CRP)
Men beweert – maar is het daar niet algemeen over eens – dat dit eiwit een sterkere indicatie geeft voor de kans op hart- en vaatziekten dan cholesterol, omdat C-reactief proteïne een maat is voor ontsteking, een mogelijke centrale factor bij atherosclerose. De nauwkeurigste test is de hoeveelheid ultrasensitief C-reactief proteïne. Uw CRP-waarde moet lager zijn dan 1,69 mg/l.
• Homocysteïne
Homocysteïne is een aminozuur waarvan men denkt dat het atherosclerose bevordert. Een veilige normale waarde is tussen 4,72 en 7,00 mmol/l.
• Cholesterol
Het verwarrende is dat er twee verschillende maten voor cholesterol worden gebruikt. In de VS wordt het uitgedrukt in mg/dl bloed, in de rest van de wereld gebruikt men het internationale stelsel van mmol/l. De huidige normwaarden zijn:
◦ Totale cholesterol in het bloed
Normaal: 5,1 mmol/l (200 mg/dl)
Hoog: 6,2 mmol/l (240 mg/dl)
◦ LDL
Normaal: 13,3 mmol/l (30 mg/dl)
Hoog: 4,1 mmol/l (160 mg/dl)
LDL-B: mag niet meer zijn dan 0,52 mmol/l (20 mg/dl)
◦ HDL:
Normaal: 1,3 mmol/l (50 mg/dl)
Te laag: 1,03 mmol/l (40 mg/dl)
◦ Verhouding totale cholesterol ten opzichte van HDL (belangrijker dan ruwe waarden)1
Meer dan 30 procent HDL is veilig
20-30 procent HDL is nog goed
Minder dan 20 procent is riskant
◦ De totale cholesterolwaarde kan bij ouderen aanzienlijk verhoogd zijn, omdat een hoge cholesterolwaarde geen verband houdt met vroegtijdig overlijden.
• Lipoproteïne(a)
Voornamelijk erfelijke factor, waarde moet minder zijn dan 0,25 mmol/l (10 mg/dl).
• Fibrinogeen
Een maat voor de bloedstolling: hoe ‘dikker’ het bloed, des te groter de kans op een hartaanval. Een veilige normale waarde is 180-350 mg/dl.
• Serieuze symptomen van hart- en vaatziekte:
◦ angina: verstrakking of pijn in de borst bij inspanning;
◦ duizeligheid, misselijkheid, ademtekort;
◦ vocht vasthouden;
◦ blauw kleurende vingernagels of lippen;
◦ onverklaarbare vermoeidheid.
1 N Engl J Med, 1999; 341: 410-418


Veel vet en een gezond hart

• Het dieet van de mensen op Kreta bevat 40 procent vet, maar het aantal mensen dat er aan hart- en vaatziekten overlijdt bedraagt slechts 5 procent van datzelfde aantal in de VS.1
• De mensen in het noorden van India gebruiken zeventien keer zoveel dierlijk vet, maar hebben zeven keer minder hart- en vaatziekten dan de mensen in het zuiden van India.2
• De oudste Georgiërs eten het meeste vet.3
• In de Franse regio Gascogne, waar ganzen- en eendenlever tot het vaste dieet behoren, bedraagt het aantal hart- en vaatziekten een kwart van hun aantal in de VS.
• De Masai hebben geen hart- en vaatziekten, hoewel hun dieet voornamelijk bestaat uit vlees, bloed en melk van dieren.4
• De Oost-Afrikaanse Samburu drinken 10 liter volvette melk per dag (= 400 gram vet), maar hebben geen hart- en vaatziekten.5
• De Australische Aboriginals hebben een dieet dat voor 64 procent uit vet bestaat, maar hart- en vaatziekten komen bij hen weinig voor.6
1 Cardiol Prat, 1962; 13: 225-244
2 Ind J Industr Med, 1968; 14: 219
3 GZ Pitskhelauri, The long living of Soviet Georgia. Human Sciences Press, New York NY 1982
4 Am J Epidemol, 1972; 95: 26-37
5 Am Heart J, 1962; 437-442
6 Lipids, 1986; 21: 684-690


 De ‘slechte’ aangelengde vetten

Transvetzuren worden gevormd wanneer vloeibare, meervoudig onverzadigde plantaardige olie wordt omgezet in vaste verzadigde vetten, meestal door hydrogenisatie. Bij dit procédé wordt soja-, mais-, katoen- of koolzaadolie bij hoge temperaturen geëxtraheerd, vervolgens gemengd met nikkeloxide en daarna in een reactorvat bij hoge druk en onder hoge temperatuur geïnjecteerd met waterstofgas. Met bepaalde chemische stoffen wordt het nikkel er daarna uitgehaald en ten slotte worden kleurstoffen, bleekmiddel en emulgator toegevoegd om het uiterlijk van het product te verbeteren.

Gehydrogeniseerde oliën worden aan industrieel geproduceerde voedingsmiddelen toegevoegd om er een aangenaam ‘vetsmaakje’ aan te geven en ze lang houdbaar te maken; deze oliën zijn ook een goedkoop middel om producten meer volume te geven. Onze spijsvertering herkent ze niet als mogelijk giftige stoffen – en probeert ze daarom niet te verwijderen – omdat de moleculen van transvetzuren sterk lijken op de moleculen van natuurlijke vetten.

Volgens de Britse Food Standards Agency ‘hoeven transvetzuren niet te worden vermeld in de voedingsinformatie op het etiket van een product, tenzij er een specifieke uitspraak wordt gedaan over de transvetzuren die het bevat, bijvoorbeeld “weinig transvetzuren”.’ Maar het is wel een vereiste dat gehydrogeniseerde oliën vermeld worden, dus let op de volgende ingrediënten:
• gehydrogeniseerde plantaardige olie;
• gedeeltelijk gehydrogeniseerde plantaardige olie;
• plantaardig bakvet;
• margarine;
• transvetten of transvetzuren.
Transvetzuren worden aangetroffen in ongeveer 40 procent van alle producten in de gemiddelde supermarkt, waaronder voorgebakken producten, de meeste margarines, de meeste gebakken producten, snoep en chocoladeproducten, pindakaas, soepen, dipsauzen, slasaus, snacks, ijs en gepaneerde diepvriesproducten.
Hoewel Denemarken tot dusver het enige land is dat transvetzuren helemaal verboden heeft, hebben veel voedingsmiddelenfabrikanten zich de voortekenen aangetrokken en plechtig beloofd geen transvetzuren meer te gebruiken of ze in elk geval sterk te gaan beperken. Het afgelopen jaar heeft de Amerikaanse FDA bepaald dat transvetzuren bij alle voedingsmiddelen op het etiket vermeld moeten worden.


Een gezond hart – natuurlijk

Lifestyle
• Zorg voor zo weinig mogelijk stress en voor gezonde lichaamsbeweging en rook niet.
• Houd uw gewicht op peil, met name de omvang van uw middel.1
Dagelijkse voeding
• Mijd industrieel geproduceerde etenswaren en verrijkte koolhydraten.
• Gebruik alleen olijfolie, kokosolie of palmolie.
• Eet vette vis en noten, veel fruit en groenten en vezelrijk voedsel.
• Eet rode grapefruit.2
• Drink appelsap en sinaasappelsap.3
• Eet honing.4
• Drink elke dag alcohol, bij voorkeur bij de maaltijd.5
• Drink groene thee.
Dagelijkse supplementen
• Een hoge dosis vitamine C (3 g/dag).
• Vitamine E, maar gebruik de natuurlijke vorm van gemengde tocoferolen (250-500 mg/dag).6
• Omega-3-vetzuren, zoals levertraan (1,5 g/dag)7
• Vitamine B6 (50 mg/dag) en B12 (1000 mcg/dag) en foliumzuur (200 mcg/dag) om de homocysteïne terug te dringen.8
• Extract van druivenpitten (100 mg/dag).
• Co-enzym Q10 (100-300 mg/dag).9
Wanneer u al hart- en vaatziekte hebt
• Zeer hoge dosis vitamine C (2,5 gram viermaal daags).
• Lysine (2 g/dag).
• Magnesium (300 mg/dag).10
Als u echt minder cholesterol wilt, probeer dan:
• nNiacine: tot 3000 mg/dag, maar kijk uit voor overdosering;11
• knoflook (Allium sativum), dat cholesterolverlagend werkt;12
• guggul (hars van de mirreboom), een Ayurvedische remedie waarmee de ‘goede’ HDL met 60 procent kan toenemen;13
• uit planten gewonnen fytosterolen zoals campesterol en sitosterol;14
• kruiden die berberine bevatten, zoals Berberis vulgaris, geelwortel (Hydrastis canadensis) en mahonie (Mahonia aquifolium);
• gemalen fenegriekzaad;15
• haver – deze vezels werken LDL-cholesterolverlagend;16
• veenbessensap, dat HDL-cholesterolverhogend werkt.17

BRONNEN:
1 Am J Epidemiol, 2006; 164: 1150-1159
2 J Agric Food Chem, 2006; 54: 1887-1892
3 Am J Clin Nutr, 2005; 81: 611-614
4 J Med Food, 2004; 1: 100-107
5 Arch Intern Med, 2006; 166: 2145-2150
6 JAMA, 2005; 294: 56-65
7 Curr Atheroscler Rep, 2002; 4: 419-424
8 Med Pregl, 2006; 59: 143-147
9 Int J Cardiol, 1999; 68: 23-29
10 J Am Coll Nutr, 2004; 23: 63-70
11 J Am Coll Cardiol, 2005; 45: 185-197
12 Ann Intern Med, 1993; 119: 599-605
13 J Assoc Phys India, 1989; 37: 323-328
14 Am J Med, 1999; 107: 588-594
15 Eur J Clin Nutr, 1990; 44: 301-306
16 JAMA, 1992; 267: 3317-3325
17 Br J Nutr, 2006; 96: 357-364

Wilt u dit artikel lezen?

Als abonnee kunt u dit artikel gratis lezen door in te loggen op uw account. Nog geen abonnee? Sluit nu een abonnement af.

Andere archief artikelen

Uitgelezen; Wie ben ik als niemand kijkt

Liesbeth Woertman onderzoekt in dit boek het leven van vrouwen in vooral de derde levensfase (na de pensionering) en de laatste vierde levensfase (vanaf ongeveer 75 jaar). Wat betekent het voor hen om een ouder lichaam te hebben in een tijd van geseksualiseerde,...

Basisrecept voor elke dag

Heb jij dat ook aan het begin van een nieuw jaar? Ik sta altijd een beetje te trappelen van ongeduld. Wat zal het nieuwe jaar aan bijzondere ontmoetingen en ontwikkelingen met zich meebrengen? Voor wat voor uitdagingen komen we te staan? Hoe zullen de seizoenen...

Innerlijke reis; ik blijf me verwonderen

Een tante gaf Kor Koetje een boek uit de boedel van een boer, en dat bracht hem in zijn tienerjaren op het pad van de natuurgeneeskunde. Het was Homeopathie in de praktijk van dr. J. Voorhoeve uit de jaren 20 van de vorige eeuw. Koetjes’ schoonzus was zijn eerste...

Boezemfibrileren vaak niet opgemerkt

Atriumfibrilleren, of boezemfibrilleren, is een veelvoorkomende volksziekte bij mensen op hogere leeftijd. Het wordt niet altijd opgemerkt door de arts of de patiënt. Boezemfibrilleren is goed behandelbaar, maar onbeschermd is er een sterk verhoogde kans op...