Toedekken of onderzoeken?

Column Bram bakker

Bram Bakker

Als je hoofdpijn hebt kun je een pijnstiller slikken als het je te gortig wordt. En als de paracetamol dan helpt, ben je daar vermoedelijk blij mee. Over de oorzaak van de hoofdpijn zegt dit echter weinig, die heeft zelfs niets van doen met het al dan niet effect hebben. Het zou dan ook vreemd zijn om bij een gunstig effect van paracetamol te concluderen dat er sprake was van een tekort aan paracetamol. Of in medische terminologie: van een paracetamol-deficiëntie.

Antidepressiva lossen net als pijnstillers de oorzaak niet op

Toch gebeurde de afgelopen decennia iets vergelijkbaars met antidepressiva: aan mensen die last hadden van buitensporige somberheid of angst werd door veel dokters dringend geadviseerd een antidepressivum te gaan gebruiken. Het ging zelfs nog een stap verder: veel emotionele problemen werden door deze deskundigen al op voorhand in verband gebracht met een verstoorde serotoninebalans in het brein.

De antidepressiva werden aangeduid als selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s). Als deze werkten, werd dat als bewijs beschouwd dat er inderdaad een stoornis was in de serotoninehuishouding in de hersenen. Was het maar zo simpel…

Iedere ontregeling in ons lichaam wordt op een of andere manier ook doorgegeven aan ons brein. Omgekeerd is schade aan onze hersenen meestal ook terug te vinden in een veranderd functioneren van ons lijf. Wat niemand precies weet, is wat de volgorde is: is eerst het hoofd ontregeld en daarna het lichaam of misschien toch andersom?

Bij mensen met een depressie vind je bijvoorbeeld andere bacteriën in de darmen dan bij niet-depressieve soortgenoten. Wat was er eerst?

Als artsen medicatie voorschrijven dan is dat een goedbedoelde poging om de klachten te verminderen. Die soms heel geslaagd is, maar op andere momenten helemaal niet. In het psychiatrische classificatiesysteem DSM staat dat de oorzaak van de stoornissen buiten beschouwing wordt gelaten.

Zo is men in de praktijk gaan handelen: een recept voor medicijnen en/of cognitieve therapie zijn verworden tot een standaard reactie op een depressieve stoornis of paniekaanvallen. Dat de succespercentages van deze goedbedoelde behandelingen zeer beperkt zijn, is dan ook niet verwonderlijk.

We zouden het anders kunnen aanpakken en gaan zoeken naar wat kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten. Wat ging er aan de DSM-diagnose vooraf? Te veel stress? Een ingrijpende gebeurtenis of een trauma misschien? Hoe weerbaar was je toen? Hoe sliep je? Hoeveel lichaamsbeweging had je? Wat waren je eet- en drinkgewoonten? Hoe woon en werk je? Hoe is je sociale leven? Hoe gaat het met ouders, broers, zussen en/of kinderen?

Als we die puzzel een beetje hebben gelegd, kunnen we bedenken welke opties bestaan om tot verbetering te komen. En dan is een antidepressivum meestal niet nodig…

Wilt u dit artikel lezen?

Als abonnee kunt u dit artikel gratis lezen door in te loggen op uw account. Nog geen abonnee? Sluit nu een abonnement af.

Bram Bakker

Over de auteur

Bram Bakker is schrijver, uitgever en spreker, staat in het theater en
werkt met een aantal partners aan het gezondheidsplatform De Balanskliniek. Hij stapte uit de reguliere geestelijkegezondheidszorg (GGZ) omdat hij daar het hart miste. Vanaf nu schrijft hij hier over wat hem beweegt.

Lees meer artikelen van Bram Bakker