Als mens hebben we veel rollen. We zijn ouder en/of kind, partner, grootouder, buurman of -vrouw, collega, teammaat en nog veel meer. Op het moment dat iemand ernstig ziek wordt, blijft er vaak nog maar één rol over: die van patiënt.
Voor iedereen is de zieke mens ‘patiënt’ en deze krijgt vooral ziekte-gerichte aandacht. Er wordt harder gesproken, ook wanneer iemand minder mobiel is maar niets mankeert aan het gehoor. Met gefronste wenkbrauwen en een bezorgde blik volgt de vraag: ‘Hoe gaat het nu?’, of: ‘Gaat het nog wel?’ Voor oudere mensen en mensen met een beperking geldt dikwijls hetzelfde.
Een zorgelijke benadering versterkt iemands rol als patiënt
De zorgelijke benadering is vaak goedbedoeld, maar versterkt iemands rol als patiënt en ondergraaft nogal eens zijn of haar zelfstandigheid en redzaamheid. Wanneer iemand consequent als patiënt wordt benaderd, gaat diegene vanzelf aan dat beeld voldoen. Mondige mensen kunnen hier nog wel mee omgaan, en toch een beetje eigenwijs voor zichzelf opkomen. Maar mensen met cognitieve beperkingen worden met zachte hand doch nadrukkelijk onderuitgehaald. Dat geldt bijvoorbeeld voor mensen met dementie. Omdat hun verstandelijke weerbaarheid afneemt, zijn zij ontvankelijker voor emoties en komt een zorgelijke benadering hard aan. Deze mensen kunnen vaak nog veel, zeker in de beginfase van de ziekte. Ze vergeten vaak de dingen van het hier en nu, maar weten nog veel over vroeger. Mensen met dementie kunnen van gedrag veranderen, en dat kan lastig zijn. Maar ze kunnen nog veel andere dingen zoals wandelen, zingen, balspelen, lachen, naar muziek luisteren of dansen.
In Nederland leven nu ongeveer 300.000 mensen met dementie. In 2040 zullen dat er naar schatting een half miljoen zijn. Eén op de drie vrouwen en één op de zeven mannen krijgt ooit de diagnose dementie. Wanneer je alle mantelzorgers, familie en kennissen meetelt, zal vrijwel iedereen van nabij te maken krijgen met de ziekte. Hoewel er nog geen geneeskundige behandeling is, komen mensen met dementie op een gegeven moment bijna altijd in de zorg terecht, met een sterke nadruk op de patiëntenrol.
Op meerdere plaatsen in Nederland zijn uitgebreide experimenten gestart met de zogenaamde ‘sociale benadering’, in plaats van de ‘zorgbenadering’ die we gewend zijn. Bij de sociale benadering blijven mensen met dementie in hun eigen huis wonen en krijgen ze aandacht van mensen in de omgeving. Het aantal professionele beroepskrachten wordt beperkt en er wordt een situatie ingericht waarbij patiënten, samen met anderen, meer alledaagse contacten hebben en actief zijn.
In een van de experimenten bleek na enkele jaren dat de opname van de deelnemende patiënten in een verpleeghuis met gemiddeld negen maanden werd vertraagd. Hierdoor was de besparing op zorguitgaven een veelvoud van de gemaakte kosten tijdens het thuiswonen. Maar nog belangrijker: iedereen vond dat de kwaliteit van leven dankzij het experiment was verbeterd. Een droom die werkelijkheid blijkt te zijn.
Dit betekent dat als in een actieve buurt de bewoners zo normaal mogelijk met elkaar omgaan, de zorgafhankelijkheid van zieke mensen afneemt. Deze sociale benadering hebben we in de afgelopen decennia enigszins verleerd, maar blijkt in de praktijk weer snel te kunnen worden aangeleerd.
