Zoals voor veel beleidsregels, geldt ook voor geneesmiddelen dat ze gebaseerd zijn op macrogegevens. Geneesmiddelen worden uitvoerig getoetst op basis van (inter-)nationale data. Daarna wordt het middel eventueel goedgekeurd en na registratie nog onderzocht op bijwerkingen.
Statistisch is dan vastgesteld dat een medicijn significant beter werkt dan een placebo of dan geen geneesmiddel. Interacties met andere medicijnen, en met veel voorkomende aandoeningen, zijn dikwijls bekend.
Een statistische kansberekening werkt niet bij individuen
Geneesmiddelen werken nooit voor 100%. Statines bijvoorbeeld, verlagen het risico op cardiovasculaire ziekte en sterfte met 20% tot 55%.1
Voor individuele patiënten werkt een statistische kansberekening niet. Een behandeling werkt wel of niet. Zij hebben persoonlijke kenmerken, een eigen leefstijl en belevingen. De macro-uitkomsten zijn mede daarom niet altijd effectief op microniveau.
Illustratief in dit verband zijn de placebo- en nocebo-effecten. Het placebo-effect houdt in dat quasi-medicijnen zonder werkzame stof toch een gunstig effect hebben als patiënten erin geloven. Het nocebo-effect houdt in dat een medicijn met bewezen werking niet of minder werkt als mensen er niet in geloven.2
Het is de taak van behandelaars om de algemene bevindingen te matchen aan de persoonlijke kenmerken, omstandigheden en belevingen van patiënten. Dat lukt niet altijd.
Standaard zorgverleners bieden dan soms complementaire, aanvullende behandelingen aan. Van de volwassen patiënten maakt 20% daarvan gebruik. Het gaat dan meestal om acupunctuur, chiropractie of osteopathie. Osteopathie en chiropractie zijn alleen bewezen voor nekklachten en lage rugpijn.3
Hoewel er wordt getwijfeld aan de wetenschappelijke bewijsvoering voor acupunctuur, zijn er voldoende gegevens die erop wijzen dat acupunctuur een werkzame behandeling is die de kwaliteit van leven vergroot, vrijwel geen bijwerkingen kent én kosteneffectief is.4 Ondanks de beperkte wetenschappelijke bewijslast, is 90% van de patiënten tevreden met een gemiddelde waardering van een 7,9.5
Hoger opgeleiden kiezen het vaakst voor een complementaire behandelwijze en laagopgeleiden het minst vaak.5 Evidence-based geneesmiddelen zijn op macroniveau bewezen, maar de aansluiting op individuen ontbreekt soms. Voor aanvullende alternatieve geneeskunde lijkt het omgekeerde te gelden. Voor patiënten blijkt deze dikwijls effectief, maar de algemene wetenschappelijke bewijsvoering is soms discutabel.
Er lijkt geen reden te zijn om de ene benadering in het algemeen als beter of belangrijker te beoordelen dan de andere. Als een alternatieve benadering werkt, is dat een kwestie tussen de behandelaar en de patiënt. Zolang er niet wordt beweerd dat het algemeen werkzaam is. Want verkeerde voorlichting in de gezondheidszorg mag niet. Dat is voorbehouden aan de rest van de wereld, zoals de voedingsindustrie. En… de politiek.
Bronnen
- Lafeber, M.; A. Evers; F. Klok. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2023; 167: D7402).
- Lucassen, P.L.B.J.; T.C. olde Hartman. De huisarts en het nocebo-effect. Huisarts en Wetenschap. 2019;62 DOI: 10.1007/s12445-019-0243-3.
- May, E. (2008). Chiropractic: a critical evaluation. Journal of Pain and Symptom Management. 35 (5) 544-62.
- Haas, D. de. Van den Berg. (2008). Acupunctuur. Een evidence-based behandeling. Supplement, no 8.
- CBS. Statistische Trends 2019. Contact en opvattingen.
