Herstel na een beroerte

Er is maar een handjevol mensen dat na een beroerte weer de volledige kracht terugkrijgt in zijn ledematen. Edward Taub maakt gebruik van de gedragswetenschap bij patiënten die na een beroerte revalideren, en met succes. Door Cate Montana

Elk jaar worden er in Nederland zo’n 40.000 mensen getroffen door een beroerte. Dat zijn er 110 per dag. Nederlandse percentages over hoeveel mensen restverschijnselen houden, zijn er niet. Maar volgens de Amerikaanse Stroke Association herstelt maar 10 procent van de patiënten volledig, en 25 procent houdt lichte restverschijnselen. Ongeveer 40 procent houdt milde tot ernstige lichamelijke en cognitieve problemen, waardoor deze patiënten zorg nodig hebben. En 10 procent komt uiteindelijk in de langdurige zorg of een verpleeghuis terecht.

De revalidatie na een beroerte begint in principe al in het ziekenhuis, meestal binnen 24-48 uur na de beroerte. Revalidatie kan een zeer frustrerende ervaring zijn voor de patiënt. ‘Als ze net een beroerte hebben gehad, willen we de vitale functies constant monitoren. En als ze dan fysiotherapie krijgen, wat soms heel frustrerend is, stijgt hun bloeddruk’, zegt Josephine Lee, ergotherapeut in het Memorial Care Long Beach Medical Center in Californië.
De oefeningen richten zich op bewegingsbereik, evenwicht, beheersing van de motoriek, kracht en uithoudingsvermogen. Heeft een patiënt een halfzijdige verlamming in een arm of been (of allebei) en ook minder gevoel in die ledematen? Dan doet de fysiotherapeut er alles aan om de patiënt te helpen weer enige controle over de aangedane ledematen te krijgen.

In het verleden was het ook wel belangrijk om de aangedane ledematen te revalideren, maar therapeuten richtten zich toen meer op het trainen van de niet-aangedane kant. De patiënt leerde bijvoorbeeld om met zijn gezonde hand dagelijkse taken uit te voeren, zoals aankleden, tanden poetsen en haren kammen. Zo was hij sneller in staat om thuis weer te functioneren. Maar dat veranderde allemaal toen er betere revalidatietherapieën kwamen, met name de constraint induced movement therapy (CIMT).

Wat is een beroerte?

Een beroerte is een verzamelnaam voor problemen met de bloedvoorziening in de hersenen. Er zijn verschillende soorten beroerte:

Bij een herseninfarct sluit een bloedpropje een bloedvat in de hersenen af. Ongeveer 87 procent van alle beroertes is een infarct. Een TIA (Transient Ischemic Attack) is een tijdelijke afsluiting van een bloedvat in de hersenen. De bloedprop lost weer op en daarom duren de klachten vaak maar een paar minuten of een paar uur. Een TIA is wel een waarschuwing dat iemand zijn leefstijl moet veranderen om erger te voorkomen.

Bij een hersenbloeding is een bloedvat in de hersenen kapot of gescheurd. Er lekt of stroomt bloed in de hersenen. Dat bloed hoopt zich op en drukt het hersenweefsel weg, waardoor dat beschadigt. Veelvoorkomende oorzaken van een hersenbloeding zijn hoge bloeddruk en een aneurysma (een uitstulping in een bloedvat die kan scheuren of openbarsten).

Er zijn twee soorten hersenbloedingen: een intracerebrale hersenbloeding, als de bloeding in het hersenweefsel plaatsvindt, en een subarachnoïdale bloeding, een levensbedreigende bloeding in de ruimte rond de hersenen.
Hoeveel schade een beroerte veroorzaakt, is afhankelijk van de locatie van de blokkade of van hoelang een bloeding duurt en hoeveel hersenweefsel daardoor in de verdrukking komt. Daarom is een onmiddellijke behandeling cruciaal voor herstel op de lange termijn.

Het centrale zenuwstelsel heeft een ‘gekruiste bedrading’: een hersenhelft stuurt de tegenovergestelde (contralaterale) kant van het lichaam aan. Dus de linkerhersenhelft stuurt de rechterlichaamshelft aan en vice versa. Als een beroerte in de linkerhersenhelft plaatsvindt, vallen functies aan de rechterkant van het lichaam uit. Als een beroerte in de rechterhersenhelft plaatsvindt, wordt de linkerkant van het lichaam getroffen.

Veel patiënten hebben oogproblemen na een beroerte. En niet alleen na een beroerte die plaatsvindt in de visuele hersenschors, want er zijn nog veel meer hersengebieden betrokken bij ons gezichtsvermogen.  Halfzijdige verlamming van het lichaam heet hemiplegie. Een halfzijdige spierzwakte of krachtsverlies heet hemiparese.

De geschiedenis van CIMT begint al in 1895. De Engelse neurofysioloog Charles Sherrington deed toen onderzoek naar het functioneren van zenuwcellen, waarvoor hij samen met zijn collega de Nobelprijs kreeg. Ze ontdekten twee belangrijke dingen. Ten eerste dat spinale reflexen (prikkels die niet via de hersenen maar via het ruggenmerg een beweging aansturen) de basis vormen van onze willekeurige bewegingen. En ten tweede dat alles wat deze spinale reflexen beïnvloedt, zoals het verlies van gevoel, het vermogen tot willekeurige bewegingen uitschakelt.

Sherrington kwam tot die conclusies op grond van experimenten die hij uitvoerde op resusaapjes. Hij ontdekte dat de aapjes hun arm niet meer gebruikten als de gevoelszenuwen die van hun arm naar het ruggenmerg en de hersenen liepen, door schade geblokkeerd waren. Het leek alsof ze hun arm niet meer kónden gebruiken, hoewel hun motorische zenuwen, die informatie vanuit de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren sturen, nog intact waren.

‘Na 10 dagen CIMT zagen we een enorme toename van de hoeveelheid grijze stof. Die stijging hing samen met de hoeveelheid herstel in hun arm’

 

Een paradigmaverschuiving

Tot in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw was de heersende opvatting in de neurologie, neurofysiologie en revalidatie dat een verstoring van de sensorische zenuwen van de spinale reflexen ervoor zorgde dat de willekeurige bewegingen werden uitgeschakeld. Dat moest dus ook zo zijn bij mensen die een beroerte hebben gehad. In die optiek is revalidatie niet alleen lastig, maar het is ook hoogst onwaarschijnlijk dat iemand significant verbetert, laat staan volledig herstelt.

Maar toen kwam psycholoog en gedragsneuroloog Edward Taub, aan het begin van de jaren 90. ‘Ik besloot om Sherringtons experiment over te doen, maar nu gedragstechnieken toe te passen om te kijken of we de aap konden dwingen een voorpoot te gebruiken waarvan de afferente [gevoels]zenuw het niet doet’, vertelt Taub. ‘En dat lukte. We gebruikten conditioned response-technieken [technieken om nieuw gedrag te stimuleren] en trainden de voorpoot gewoon opnieuw.

‘Dat op zich leidde al tot willekeurige bewegingen in de voorpoot. We gebruikten ook een gedragstherapie die shaping heet.’ Shaping is een techniek voor gedragsverandering waarbij stapsgewijs nieuw gedrag wordt aangeleerd door opeenvolgende gedragingen te belonen die het doelgedrag steeds dichter benaderen.

Hij stimuleerde de aap ook om de aangedane voorpoot te gebruiken door de gezonde voorpoot vast te binden, zodat die onbruikbaar werd. ‘Hij bleek onhandig met die aangedane voorpoot’, zegt Taub. ‘Toch was er vrijwel niets wat de aap niet kon.’

Nu hij had bewezen dat Sherringtons hypothese onjuist was, was de volgende stap: uitzoeken waarom de aap de aangedane voorpoot niet gebruikte, hoewel die volledig functioneerde. ‘We bedachten het concept van learned non-use [aangeleerd niet-gebruik] ter vervanging van Sherringtons reflexhypothese’, vertelt hij. Deze nieuwe theorie erkende dat er een periode is waarin de aap zijn poot niet kán gebruiken, vanwege de zogeheten spinale shock: de fase vlak nadat iemand een beschadiging van het ruggenmerg heeft opgelopen. In die periode leert de aap alles wat hij moet doen met zijn gezonde poot te doen. Tegen de tijd dat de shock voorbij is en hij de gevoelloze poot weer kan gebruiken, doet hij dat niet omdat hij aangeleerd heeft dat niet te doen. Vandaar de term learned non-use.

Taub vermoedde dat dezelfde aanpak zou werken bij patiënten met een beroerte die lijden aan gevoelloosheid en gedeeltelijke verlamming. Daarom startte hij de Taub Therapy Clinic en begon klinisch onderzoek te doen bij patiënten na een beroerte die een gedeeltelijke verlamming in hun bovenste extremiteiten hadden. Taub moet lachen om de vreemde taal van de revalidatie. ‘Je hebt niet langer armen en benen’, legt hij uit. ‘Je hebt bovenste en een onderste extremiteiten.’

Taub en zijn collega’s zagen patiënten met ‘lichte tot matige uitval’. Dat klinkt minder ernstig dan het is, want het betekent dat de gemiddelde patiënt in het dagelijks leven met zijn aangedane arm of been nog maar 10 procent kan doen van wat hij er vóór zijn beroerte mee kon.

Met behulp van dezelfde basistechnieken die Taub bij de apen had gebruikt, trainde hij zijn patiënten om taken uit te voeren met de aangedane arm. Taken als tandenpoetsen, eten met een vork, sokken en schoenen aantrekken, en haren kammen.

Om zijn patiënten te dwingen hun aangedane kant te gebruiken, vroeg hij ze soms om aan de goede kant beperkende middelen te gebruiken. Bijvoorbeeld een speciale handschoen (gebruikt bij IC-patiënten om te voorkomen dat ze het infuus eruit trekken) of een sling – een armdraagriem – om de gezonde arm dicht tegen het lichaam te houden. Vandaar dat de revalidatietechniek constraint induced movement therapy werd genoemd: door beperking veroorzaakte beweging.

In Nederlandse revalidatiecentra wordt op dit moment alleen een aangepaste vorm van CIMT gebruikt: de gezonde hand wordt een paar uur per dag uitgeschakeld. Bij de oorspronkelijke vorm gebeurt dat 90 procent van de tijd dat de patiënt wakker is. Met name de shaping-oefeningen van de CIMT zijn effectief. Als gedragswetenschapper kende Taub de impact van positieve bekrachtiging, vooral bij patiënten met een beroerte. Want die zijn heel vatbaar voor depressie, doordat het ze niet lukt om hun ledematen die vroeger prima functioneerden, gewoon hun werk te laten doen.

Zelfs de kleinste verbetering in het uitvoeren van een taak – bijvoorbeeld als een patiënt erin slaagt de lepel een centimeter dichter bij zijn mond te brengen of zijn hand een klein beetje dichter bij de knoop van zijn kleding – wordt opgemerkt en geprezen. Dat motiveert de patiënt om de keer daarop nog harder zijn best te doen. De resultaten met dit soort behandelingen, zegt Taub, waren ‘verbazingwekkend’. Beroertepatiënten kregen met CIMT in twee weken tijd tot 52 procent van hun oorspronkelijke functie terug: dat is dus meer dan een vijfvoudige verbetering van de 10 procent die ze na de beroerte overhadden. Dat is veel, vergeleken met andere behandelingsmethoden in de wereld van de revalidatie.

Breed inzetbaar

Taub vond de resultaten zeer bemoedigend. In 2003 ging hij naar Duitsland om samen met verschillende onderzoekers aan de corticale plasticiteit (of neuroplasticiteit) te werken. Dat is het vermogen van de hersenen zichzelf te reorganiseren door op basis van nieuwe ervaringen nieuwe neurale verbindingen te vormen.

In een serie studies bij patiënten met een beroerte toonden Taub en zijn collega’s aan dat de hersenen zich na beschadiging van het zenuwstelsel ongemerkt reorganiseren. Als een patiënt het beschadigde deel van zijn lichaam niet gebruikt, snoeien de hersenen neurale paden die niet langer actief zijn terug, terwijl ze nieuwe paden aanleggen in de hersengebieden die in verbinding staan met de gezonde ledematen die méér gebruikt worden.
Neem bijvoorbeeld een rechtshandig persoon die een beroerte heeft gehad, waardoor hij zijn rechterarm en hand minder goed kan gebruiken. De hersengebieden die verband houden met de motorische functie (beweging) van die rechterarm zullen krimpen, terwijl de hersengebieden die verband houden met de motorische functie van de linkerarm en -hand (die nu gebruikt worden) in omvang en activiteit toenemen.

Na de behandeling met CIMT keert dit proces zich om. ‘Na 10 dagen behandeling zagen we een enorme toename van de hoeveelheid grijze stof: het hersenweefsel dat betrokken is bij de vernieuwing van bewegingen in de aangedane arm. Die stijging was gerelateerd aan de hoeveelheid herstel in die arm’, vertelt Taub.

Deze bevindingen waren doorslaggevend en zetten CIMT op de medische kaart. ‘Voordat we de gegevens over de hersenen publiceerden, waren veel mensen sceptisch. Alle manieren waarmee we de verbetering in kaart brachten, maakten weinig indruk: metingen van gedrag en beweging, metingen die bewijs leverden voor meer bewegingsbereik en ook andere gebruikte methoden. Maar toen we de gegevens over de hersenen publiceerden, waren onze bevindingen ineens waar.’

Nadat Taub en zijn collega’s van de University of Alabama het protocol ontwikkeld hadden, is de therapie verder uitgebreid. Je kunt CIMT voor meer gebruiken dan alleen motorische stoornissen na een beroerte. De therapie is ook met succes ingezet bij mensen met afasie (spraakproblemen) na een beroerte, motorische en cognitieve problemen na traumatisch hersenletsel, en bewegingsstoornissen door multiple sclerose (MS) en cerebrale parese (hersenverlamming).

Hoe de hersenen veranderen

In 1948 ontdekte de Poolse neurowetenschapper Jerzy Konorski dat de neurale netwerken in de hersenen (onderling verbonden netwerken van zenuwcellen, die neuronen heten) van vorm en grootte konden veranderen. Toch duurde het nog tot de jaren 90 van de vorige eeuw voordat de term ‘neuroplasticiteit’ gemeengoed werd om het vermogen van de hersenen te beschrijven om te veranderen en te vernieuwen.

In 1998 begon Bruce McEwen de invloed van stress op de hippocampus te onderzoeken. De hippocampus is een hersengebied dat verband houdt met leren, emoties en met name het opslaan van nieuwe herinneringen. Hij ontdekte niet alleen dat door stress de neurale netwerken in de hersenen kunnen krimpen, maar ook dat je de schade kunt herstellen door een proces genaamd axonal sprouting (uitlopen van axonen).

Bij dit verschijnsel maken beschadigde axonen – de lange, draadachtige uitlopers van een neuron die elektrische impulsen van de ene cel naar de andere geleiden – nieuwe zenuwuiteinden om de beschadigde en verbroken zenuwuiteinden te vervangen.

Door nieuwe medische beeldvormingstechnieken om de hersenstructuur en -functie te onderzoeken, weten we dat neuroplasticiteit een levenslang proces is. En bij een beroerte is neuroplasticiteit de sleutel om de functie in de aangedane ledematen te verhogen.  Taub: ‘Waar het op neerkomt, is: Als je het niet gebruikt, raak je het kwijt.’

Een van Taubs patiënten was een 55-jarige oogarts die een beroerte had gehad, waardoor zijn linkerarm en -hand ernstig beperkt waren. ‘Hij had een matige verlamming, wat betekent dat hij slechts 10 procent aan kracht overhad vergeleken met de periode vóór de beroerte. We behandelden hem twee weken lang en het vermogen om zijn arm te gebruiken steeg naar 50 procent.’

Een andere casus was die van een meisje van 13 met cerebrale parese die haar rechterbeen en -arm niet goed kon gebruiken. Na twee weken CIMT merkte ze een aanzienlijke verbetering in haar motorische vaardigheden. Toen ze op haar 17e terugkwam vanwege afasie, werd ze opnieuw behandeld. Toen ze kwam, kon ze slechts zinnetjes van een of twee woorden uitspreken en na drie weken CIMT waren haar verbale prestaties 47 procent van wat normaal is.

In tegenstelling tot andere revalidatiebehandelingen die na een beroerte worden gebruikt, werkt CIMT het beste als je er niet direct mee begint. In de kliniek van Taub komen patiënten pas in aanmerking voor behandeling vanaf ongeveer drie maanden nadat ze een beroerte hebben gehad. ‘Veel mensen denken dat er haast geboden is en dat ze snel met de therapie moeten starten’, zegt Mary Bowman, een ergotherapeut in de kliniek. ‘Maar meestal laten we mensen pas ongeveer een halfjaar na een beroerte komen, omdat de hersenen nog veel veranderingen ondergaan.

‘Vlak na de beroerte zijn de hersenen in een toestand van neuroshock. En daarna treedt er veel spontaan herstel op. Dus begin je vroeg met therapie, dan weet je niet of het herstel spontaan is of dat de therapie werkt.’
In weerwil van klinische studies waaruit blijkt dat de meest significante verbeteringen na een beroerte plaatsvinden aan het begin van de behandeling, zegt Taub dat de grootste verbeteringen vaak lang na de beroerte en zelfs lang na de CIMT-behandeling te zien zijn.

Taub zegt dat de grootste verbeteringen vaak lang na de beroerte en zelfs lang na de CIMT-behandeling te zien zijn

Neem bijvoorbeeld de oogarts die hij heeft behandeld. ‘Ik had hem ongeveer vijf jaar niet gezien. Toen kreeg ik een uitnodiging voor zijn 60e verjaardag, die hij vierde door een pianoconcert te geven. Hij speelde een halfuur lang redelijk moeilijke stukken van Mozart en Brahms. Na afloop vroeg ik aan mijn vrouw, die klassiek geschoold pianiste is, of ze verschil had gezien tussen zijn rechter- en linkerhand. Dat had ze niet.
‘Hij bleek na afloop van de CIMT zo vastbesloten om zijn revalidatie voort te zetten, dat hij met pianoles was begonnen. Hij had voor het laatst piano gespeeld toen hij kind was. Hij bleef zelf revalideren, totdat hij weer voor bijna 100 procent de oude was.’

Dat brengt ons bij een ander groot verschil tussen CIMT en andere revalidatiemethoden bij beroertes. De behandeling start niet alleen later, maar heeft ook een follow-up na afloop van de revalidatie.
De meeste revalidatiebehandelaars geven aan dat gemiddeld maar 5 procent van de slachtoffers van een beroerte na ontslag uit de revalidatiekliniek zijn eigen revalidatie thuis voortzet. Taub wist dat en ontwikkelde daarom een nazorgprogramma: het Constraint induced therapy transfer package.

Na twee weken intensieve revalidatie gaat de patiënt naar huis. Daarna belt de therapeut hem een maand lang eens per week. Die belsessie duurt een uur, waarin de therapeut de patiënt oefeningen laat doen. Na die eerste maand gaat de frequentie naar één belsessie per maand, gedurende een jaar. Dit eenvoudige nazorgpakket stimuleert patiënten bezig te blijven om functies te verbeteren. Het blijkt een enorme impact te hebben op de revalidatie van deze patiënten.

‘In principe maakt het niet uit hoelang het geleden is dat iemand een beroerte heeft gehad. Er is altijd mogelijkheid tot verbetering’, zegt Bowman. ‘We hebben mensen gezien die 20 jaar geleden een beroerte hebben gehad. Volgens mij was er zelfs iemand bij wie het 50 jaar geleden was.’

Een aantal onafhankelijke klinische studies hebben Taubs bevindingen bevestigd. In 2015 was er een literatuurstudie van al het onderzoek naar CIMT. Daaruit bleek dat de methode zeer effectief is in het verbeteren van de motorische functie, activiteiten van arm en hand, en functioneren in het dagelijks leven, zowel direct na de behandeling als bij de follow-up op lange termijn.1 Uit een vergelijkende studie van 16 gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken bleek bovendien dat CIMT effectiever is dan de traditionele revalidatie in het verbeteren van de functie van de bovenste ledematen in de acute en subacute fase [respectievelijk direct na of 2 weken na de beroerte].2

CIMT is ook met succes ingezet bij mensen met afasie na een beroerte, motorische en cognitieve problemen na traumatisch hersenletsel, en bewegingstoornissen door MS en cerebrale parese (hersenverlamming)

Naast CIMT, dat effect heeft op beweging, kennen we ook de constraint induced aphasia therapy (CIAT), dat de taalprestaties van beroertepatiënten verbetert.3 CIMT werkt niet alleen bij patiënten met een beroerte. De therapie blijkt ook veelbelovend bij mensen met progressieve MS die een hemiparese hebben: dat betekent dat ze net als beroertepatiënten verlammingsverschijnselen hebben aan één lichaamshelft.4 Een recente klinische trial concludeerde dat CIMT zorgt voor ‘een zeer grote verbetering in het gebruiken van ledematen in de dagelijkse praktijk en leidt tot veranderingen in de witte stof’ in deze patiëntenpopulatie.5 De witte stof bestaat uit de uitlopers van de zenuwcellen. Bij MS-patiënten is de witte stof beschadigd.

CIMT heeft ook een positief effect op het hand-armgebruik bij kinderen met cerebrale parese.6 Het geeft structurele veranderingen in hun hersenen die wijzen op de groei en uitbreiding van neuronen.7
Het maakt niet uit hoe vroeg of laat patiënten met CIMT beginnen, mensen die deze vorm van revalidatie ondergaan zeggen dat het ingrijpend is. ‘Voordat ik CIMT kreeg kon ik mijn linkerhand bewegen, maar niet gebruiken’, vertelt Madeline N. 25 jaar. ‘De sessies waren inspannend en vermoeiend, maar ik was bereid hard te werken.

‘Nu kan ik hem weer gebruiken. De functionele taken zien er misschien niet zo vloeiend uit als voor mijn beroerte, maar ik kan weer dingen doen met mijn hand. Bijvoorbeeld mijn haar in een knot doen en typen op de computer. Ik loop weer helemaal zelfstandig, zelfs op een oneffen ondergrond, en mijn evenwicht, gewichtsverplaatsing en gevoel zijn allemaal verbeterd.’

‘Het is intensief voor de patiënt en het is ook intensief voor mij als therapeut’, bevestigt Bowman. ‘Afhankelijk van hoe beperkt iemand is in zijn bewegingen, duurt de therapie nu ongeveer 3,5 tot 4 uur per dag, vijf dagen per week, 2 tot 3 weken lang.

‘Dat zijn veel uren op een dag. Maar als ze bij me weggaan, zijn ze nog niet klaar. Dat is pas het begin. Want ze moeten naar huis en thuis die hand of arm gebruiken.’

Het mag dan hard werken zijn, Bowman zegt dat er niets zo mooi is als zien dat een patiënt vooruitgaat. Vooral degenen die al jaren lijden aan chronische verlamming en hun arm of been niet kunnen gebruiken.
‘Soms ervaart iemand die een beroerte heeft gehad dat hij zijn leven aan het uitstellen is, legt ze uit. ‘Iemand wil bijvoorbeeld niet verhuizen, wat hij eerst wél van plan was, of iemand wil geen kinderen, of iemand heeft het gevoel dat hij niet weer aan het werk kan, omdat hij niet weet of hij dat aankan.

‘Bij elke patiënt pakken we dat direct aan met CIMT; we gaan meteen aan de slag op de levensterreinen waar iemand graag naartoe wil. Zodat ze veel ervaring opdoen met precies die dingen die ze in hun leven zullen tegengekomen.

‘Ik heb heel wat mensen gehad die na hun vertrek foto’s opstuurden met een verhaal over hoe dingen in hun leven waren veranderd. En dat is voor mij als therapeut heel bemoedigend om te zien.’

Bronnen
1 Lancet Neurol, 2015; 14: 224–34
2 Neural Regen Res, 2017; 12: 1443–50
3 Dement Neuropsychol, 2009; 3: 275–82
4 Mult Scler, 2008; 14: 992–4
5 Neurorehabil Neural Repair, 2018; 32: 233–41
6 Phys Ther, 2009; 89: 1126–41
7 Pediatrics, 2013; 131: e1664–9

Taub Therapy Clinic:
www.uabmedicine.org/patient-care/treatments/ci-therapy
CI Therapy Research Group:
www.uab.edu/citherapy

Wilt u dit artikel lezen?

Als abonnee kunt u dit artikel gratis lezen door in te loggen op uw account. Nog geen abonnee? Sluit nu een abonnement af.

Andere artikelen van Cate Montana

kleine wonderen met Enzymtherapie

Acupunctuur bij gezichtsveroudering

Je lymfestelsel overvol

Anders omgaan met een beroerte

Herstel van het lichaam na een kankerbehandeling

Spierherstel het hele bewegen telt

Bij botbreuken ligt de focus vaak op herstel van het gewricht, zonder aandacht voor spierkrachtverlies. Maar als je noodgedwongen niet kunt bewegen, neemt de spiermassa razendsnel af. Gevolg: onnodig lang revalideren. Daar weet fervent hardloper Heidy van Beurden...

Vroeg kinderlijk trauma

Jaarlijks zijn 118.000 kinderen tot 18 jaar slachtoffer van vroegkinderlijk trauma. Het werkelijke aantal ligt veel en veel hoger. Veel gevallen blijven ongezien, onopgemerkt en onbehandeld. Met alle negatieve effecten van dien. Vooral trauma dat in de eerste zeven...

Uitgelezen: De helende kracht van de adem

Mijn boek De helende kracht van de adem biedt een grote verscheidenheid aan eenvoudige, directe en diepgaande oefeningen met de adem (Sanskriet: prana, Tibetaans: lung). Deze oefeningen kunnen het welzijn van lichaam, energie en geest op verschillende niveaus...

Cate Montana avatar

Over de auteur

Cate Montana is een auteur die bekend staat om haar werk op het gebied van psychologie, spiritualiteit en zelfhulp. Ze heeft een achtergrond in de journalistiek, wat haar een scherpe analytische blik geeft op de onderwerpen die ze behandelt. Montana's werk richt zich vaak op het verkennen van het menselijk bewustzijn, de aard van de werkelijkheid en hoe deze concepten van invloed zijn op persoonlijke groei en ontwikkeling.
Lees meer artikelen van Cate Montana