Epilepsie, als de oplossing het probleem verergert

Na de beroertje is epilepsie de neurologische stoornis die het meest voorkomt. Ze treft één op de 2000 mensen. Epilepsie is echter niet een enkelvoudige aandoening, maar een cmobinatie van stoornissen van het centrale zenuwstelsel. (CZS) met een paar dezelfde symptomen.Het bekendste symptoom is de epileptische aanval, een veranderlijk verschijnsel met diverse verschijningsvormen. De aanval varieert in intensiteit van een kortstondige black-out (absence of petit mal) tot bewusteloosheid (atonische of ‘vallende ziekte’) tot onbeheersbare stuiptrekkingen (gegeneraliseerd tonisch-klonisch insult of grand mal).

Complexe partiële epilepsie wordt gekenmerkt door een glazige blik, gedragsveranderingen en een kauwende beweging die vaak voorafgegaan wordt door een ‘aura’, in de vorm van een vreemde geur, ‘vlinders’ in de buik of een vervormd geluid. Myoklonische aanvallen zijn kortstondige, massale en heftige zenuwtrekkingen van de spieren. Eenvoudige partiële aanvallen van Jackson zijn plotseling schokkende bewegingen waarbij het slachtoffer bij bewustzijn is, terwijl bij eenvoudige partiële sensorische aanvallen dingen worden gezien, gehoord of gevoeld die niet bestaan. Ten slotte zijn er nog de koortsstuipen, wanneer een kind vanwege een infectie heel hoge koorts heeft.

De aanvallen (en andere neurologische symptomen) worden veroorzaakt door abnormale, niet-synchrone elektrische ontladingen vanuit de miljoenen zenuwcellen in de hersenen – letterlijk dus een storing in het circuit. Met de juiste stimulus kan elk brein op deze manier kortsluiting maken. De stimulatiegraad die nodig is om een aanval te veroorzaken, staat bekend als de ‘aanvalsdrempel’. Men neemt aan dat epilepsiepatiënten een lage aanvalsdrempel hebben; meestal worden ze met een of meer verschillende anti-epileptica behandeld.

Anti-epileptica kunnen sommige typen aanvallen helpen voorkomen, maar ze kunnen ook de aanvalsdrempel van een patiënt verlagen. Ze kunnen zelfs aanvallen veroorzaken. Dit geldt met name voor kinderen. Zij zijn vatbaarder voor aanvallen die door anti-epileptica worden veroorzaakt dan volwassenen. Ouderen, die meestal gevoeliger zijn voor het effect van medicijnen dan anderen, en patiënten die meer dan één medicijn gebruiken om aanvallen te voorkomen, lopen ook meer risico.

Vergiftigd door medicijnen

Omdat er nog geen onderzoek naar is gedaan, kan niemand met zekerheid zeggen hoe vaak anti-epileptica aanvallen veroorzaken.1 Een groot probleem is dat klinische experimenten met anti-epileptica slechts hebben onderzocht of een bepaald medicijn aanvallen kan onderdrukken. Nooit werd onderzocht of de symptomen erdoor kunnen verergeren.2
Niettemin heeft nieuw onderzoek onthuld op welke manier anti-epileptica aanvallen kunnen veroorzaken.

Zo kan een overdosis van vrijwel elk anti-epilepticum een aanval teweegbrengen, zelfs bij mensen die helemaal niet aan epilepsie lijden. Intoxicatie door anti-epileptica (bij een te hoge dosis) kan de frequentie en ernst van de aanvallen doen toenemen en nieuwe typen aanvallen of zelfs een serie non-stop aanvallen, met of zonder stuiptrekkingen, teweegbrengen (status epilepticus).
Bij de meeste vroege meldingen van medicijnen die aanvallen verergerden, ging het om fenytoïne. De reden hiervoor kan zijn dat dit het medicijn bij uitstek was tegen epilepsie op het moment dat dergelijke observaties werden gedaan.

Bij een van de eerste experimenten die de veiligheid van anti-epileptica bij kinderen dienden vast te stellen, moest ongeveer 9 procent van de 167 epileptici in de leeftijd van 3-16 jaar vanwege ernstige bijwerkingen met het middel stoppen. Bovendien bemerkte 4 procent van de kinderen die natriumvalproaat (Epilim) of carbamazepine kregen, dat de aanvallen erger werden.
Interessant is dat het lastig was voldoende kinderen voor dit Britse onderzoek te werven, omdat veel artsen ertegen waren dat zij fenobarbital kregen (ondanks de populariteit van dit anti-epilepticum in veel landen) en anderen zich zorgen maakten over de veiligheid van natriumvalproaat.

Deze ethische bezwaren weerhielden de onderzoekers er echter niet van toch met de kinderen die zij tot hun beschikking hadden, te experimenteren.3 In andere rapporten werd gemeld dat fenobarbital aanvallen van absentie verergerde bij kinderen4 en tonische aanvallen veroorzaakte (spiersamentrekkingen) bij kinderen met het Lennox-Gastaut-syndroom, een ernstige vorm van jeugdepilepsie die met verschillende typen aanvallen gepaard gaat.5

Nog niet zo lang geleden werden andere anti-epileptica – carbamazepine, tiagabine en valproaat – in verband gebracht met verergering van aanvallen, omdat ze in te hoge doses werden voorgeschreven. In het geval van valproaat kunnen ernstiger aanvallen ook wijzen op zware lever- of hersentoxiciteit, zelfs wanneer de patiënt geen hoog gehalte aan anti-epileptica in het bloed heeft.

Medicijnen kunnen ook ernstiger aanvallen veroorzaken wanneer anti-epileptica met een bepaald selectief werkingsmechanisme worden voorgeschreven voor het verkeerde type epilepsie. Tot nu toe gaat het bij de overgrote meerderheid van deze gevallen om carbamazepine en kinderen met gegeneraliseerde aanvallen. Carbamazepine kan een uitgebreide reeks aanvallen veroorzaken, waaronder absence, atonische, tonische en myoklonische aanvallen, en deze ook verergeren.

Een ernstig gevolg is dan dat de patiënt in een staat van permanente aanvallen blijft steken. Een schrikbarend groot aantal patiënten reageert niet goed op carbamazepine. In een onderzoek kregen 59 kinderen met epilepsie dit medicijn toegediend en werd er regelmatig een elektro-encefalogram (EEG) gemaakt. Drieëndertig van hen reageerden goed en geen van hen hoefde met het middel te stoppen. Maar 26 kinderen (46 procent) kreeg een aanval of ernstiger aanval. Bijna de helft van hen moest met het medicijn stoppen en de meeste van de anderen die er wel mee doorgingen, moesten ook andere anti-epileptica nemen.6

In een ander onderzoek onder 170 kinderen met juveniele myoklonische epilepsie (JME) kregen 40 van hen carbamazepine of, in een vroeg stadium van de behandeling, fenytoïne. Bij bijna 57 procent van deze kinderen verergerden de symptomen door de medicijnen. JME reageert meestal het beste op valproïnezuur (waarvan valproaat wordt afgeleid), wat dan ook het medicijn bij uitstek is voor deze aandoening.7

Het nieuwste ‘wondermiddel’

Ongunstige reacties blijven niet beperkt tot de oudere medicijnen. Nog niet zo lang geleden werd lamotrigine toegejuicht als een behandeling met minder nadelige effecten dan andere en met een goede reputatie wat de werking betreft. Maar nu is aan het licht gekomen dat het medicijn in feite de ‘waarschuwingssignalen’ uitbant die met de aanvallen gepaard gaan. Veel mensen met epileptische aanvallen weten door een voorgevoel – een zogenaamd ‘aura’ – dat er een aanval op komst is.

Door deze waarschuwing, die van enkele seconden tot een paar minuten kan duren, heeft de patiënt de tijd om mogelijke risico’s uit de weg te gaan, zoals voorwerpen waar hij tegenaan kan botsen, trappen of motorvoertuigen. Zo voorkomt hij dat hij zich tijdens de aanval bezeert. Zonder zo’n waarschuwing zouden mensen met epilepsie plotseling en totaal onverwacht kunnen vallen en zichzelf verwonden. Verschillende patiënten die geen aura’s meer hadden toen ze eenmaal op lamotrigine waren overgestapt, liepen letsel op tijdens aanvallen – en in sommige gevallen ernstig.8

Lamotrigine neemt niet alleen de onmisbare waarschuwingssignalen weg, maar verergert de aanvallen ook. Hoewel sommige kinderen met myoklonische epilepsie baat lijken te hebben bij de behandeling, zal het middel dit soort aanvallen wellicht niet kunnen onderdrukken, of ze zelfs verergeren.9 Lamotrigine kan de aanvallen ook verergeren als het als additioneel medicijn wordt ingenomen.10

Bij baby’s met ernstige juveniele myoklonische epilepsie, met krampen in een of meer afzonderlijke spiergroepen, of krampen die synchroon over het lichaam lopen, heeft lamotrigine de epilepsie alleen maar verergerd. In een onderzoek onder 21 zuigelingen met deze zeldzame ziekte bleek bij de overgrote meerderheid dat na additionele behandeling met lamotrigine ten minste één type aanval nog ernstiger te zijn.

Uiteindelijk werd bij alle baby’s op twee na het gebruik gestaakt – en van alle baby’s op één na verbeterde de toestand na stopzetting van het medicijn. Omdat de dosis lamotrigine beetje bij beetje dient te worden opgevoerd, werd de conditie van de patiënt geleidelijk aan slechter, en wel zo geleidelijk dat de behandelende arts die verslechtering in sommige gevallen niet eens onderkende.11

De behandeling met anti-epileptica stoppen

De meeste onderzoekers en artsen adviseren een epilepticus liever niet met een bepaald medicijn te stoppen als de kuur eenmaal in gang is gezet. Toch is er nieuw bewijs geleverd dat patiënten die hun epilepsie goed onder controle hebben, veel minder last hebben van negatieve effecten wanneer ze met hun anti-epileptica stoppen dan men aanvankelijk aannam.

De patiënten die het grootste risico liepen op een aanval nadat ze met anti-epileptica waren gestopt, waren degenen die hun aanvallen nauwelijks onder controle hadden mét medicijnen. Hoewel het risico op terugkerende aanvallen aanwezig is – meestal binnen de eerste twee jaar – is het risico daarna even groot voor epileptici die gestopt zijn als voor epileptici die anti-epileptica zijn blijven slikken.12

Sommige artsen geloven dat het antwoord op aanvallen die door anti-epileptica worden veroorzaakt, simpel een verandering van medicatie is. Maar er zijn bewijzen dat dit wellicht op valse hoop is gestoeld. Een meta-analyse van alle gerandomiseerde, placebo-gecontroleerde onderzoeken, waarbij zes soorten anti-epileptica waren betrokken – gabapentine, lamotrigine, tiagabine, topiramaat, vigabatrine en zonisamide – wees uit dat het ene medicijn niet effectiever was dan enig andere wanneer het als tweede medicijn werd ingezet bij mensen met terugkerende aanvallen.13

In sommige gevallen zou het wellicht beter zijn de mogelijkheid te onderzoeken helemaal met anti-epileptica te stoppen. Bij volwassenen kunnen verschillende factoren mede voorspellen of het succesvol kan zijn met medicijnen te stoppen. Als uw neurologisch onderzoek, de EEG-waarden na de behandeling en de MRI-beelden normaal zijn, en u over een normale intelligentie beschikt en aan slechts één type aanval lijdt, zou u een geschikte kandidaat kunnen zijn om met succes met uw medicijnen te stoppen.14 Bij dit type patiënten keren de aanvallen namelijk slechts in 25 procent van de gevallen terug. Maar het aantal terugkerende aanvallen zal verdubbelen bij patiënten met afwijkende testuitslagen of patiënten die aan meer dan één type aanval lijden.15

Het is uiterst belangrijk dat u het terugvalrisico uitvoerig met uw arts bespreekt, evenals de voordelen die staking van het gebruik van anti-epileptica kan opleveren. Maar volgens een overzicht waarin nader onderzocht werd hoe men tegenwoordig epilepsie behandelt, kan behandeling met anti-epileptica worden stopgezet als de patiënt twee of drie jaar lang aanvalvrij is geweest.16
Deze informatie is met name belangrijk voor ouders van kinderen bij wie de diagnose van epilepsie is gesteld. In die gevallen is het vaak heel moeilijk te besluiten al of niet medicijnen voor te schrijven. Niettemin is bewezen dat kinderen die door een eerste epileptische aanval worden getroffen, niet slechter af zijn als behandeling met medicijnen tot een volgende aanval wordt uitgesteld.

Uit onderzoek waarin 479 kinderen werden gevolgd die twee of meer aanvallen hadden gehad, bleek dat de kinderen die onmiddellijk na de eerste aanval werden behandeld, bijna vijftien maanden later een tweede aanval kregen, terwijl de kinderen bij wie behandeling werd uitgesteld al na ruim vier maanden hun tweede aanval hadden.17

Hoewel onmiddellijke behandeling een tweede aanval tijdelijk een paar maanden zou kunnen opschorten, concludeerden de onderzoekers dat uitstel van behandeling de kans op latere controle over aanvallen niet negatief beïnvloedt, en evenmin de kansen op mogelijke remissie naarmate het kind ouder wordt negatief beïnvloedt. Artsen en ouders die direct na de allereerste aanval op behandeling met medicijnen aandringen, zullen nooit echt weten wat de uitkomst zou zijn geweest zonder medicijnen. Omdat er steeds meer bewijs wordt geleverd dat behandeling met medicijnen zelf aanvallen kan veroorzaken, zou een afwachtende houding voorlopig wel eens de beste oplossing kunnen zijn.

Een andere manier om door anti-epileptica veroorzaakte aanvallen te voorkomen is een correcte diagnose te laten stellen. De diagnose epilepsie mag namelijk eigenlijk niet op basis van een enkele aanval worden gesteld. Onderzoek suggereert dat slechts een kwart van de mensen die een enkele aanval heeft gehad, waarschijnlijk binnen drie jaar een nieuwe aanval krijgt.18

Voor patiënten die herhaaldelijk een aanval hebben gehad, is het van groot belang dat de arts zo duidelijk mogelijk is over de oorsprong van de aanval en het type, voordat er medicijnen worden voorgeschreven. Op deze manier kan het medicijngebruik en het risico op aanvallen die door anti-epileptica worden veroorzaakt, tot een minimum worden beperkt. Bepaalde typen aanvallen kunnen het gevolg zijn van een hersentumor. In de meeste gevallen is de oorzaak echter moeilijker te traceren.

Sommige epilepsieaanvallen houden zelfs helemaal geen verband met de hersenen. Zo wees een laboratoriumanalyse in een Italiaans onderzoek uit dat 77 procent van de epilepsiepatiënten kenmerken van coeliakie vertoonde.19

Er duikt steeds nieuw bewijs op dat er een nauw verband bestaat tussen de hersenen en de ‘tweede’ hersenen (het complexe zenuwstelsel in het darmkanaal dat de functie van het centrale zenuwstelsel weerspiegelt). Op elke ‘zwakke plek’ in het lichaam kunnen zich allergische reacties voordoen. De meeste artsen zijn zich er niet van bewust dat anti-epileptica de aanvallen kunnen verergeren. Als een patiënt met de klacht komt dat de symptomen verergerd zijn, zal de dokter wellicht niet zo snel de mogelijke oorzaak van het probleem – het medicijn – wegnemen.

Epilepsie is nog steeds een verbijsterende aandoening, maar wel wordt steeds duidelijker dat de medicijnen ter behandeling van die aandoening, hoewel ze voor enkelen van onschatbare waarde zijn, voor veel meer patiënten een risico vormen. Zoals met alle medicijnen kan ook in dit geval het probleem op den duur veel ernstiger worden. De patiënt zelf en de mensen die van hem houden, moeten heel goed bedenken welke mogelijkheden er zijn als de diagnose van epilepsie eenmaal is gesteld.

Misschien is het goed dat ze wat mondiger worden en dienen ze om de juiste diagnostische procedure te vragen zodat vastgesteld kan worden om welk type epilepsie het precies gaat. Pas dan kunnen de voor- en nadelen van de verschillende behandelmethoden tegen elkaar afgewogen worden.

Pat Thomas

BRONNEN:

1 Epilepsia, 1998; 39: 5-17
2 Ann Saudi Med, 2000; 20: 316-8
3 Lancet, 1996; 347: 709-13
4 Acta Scand, 1996; 94: 367-77
5 Epilepsia, 1972; 13: 421-35
6 Epilepsia, 1994; 35: 1154-9
7 Neurology, 2000; 55: 1115-21
8 Lancet, 1997; 350: 1751-2
9 Neurology, 2000; 55: 1758
10 Epilepsia, 1995; 36 [Suppl 3]: S65
11 Epilepsia, 1998; 39: 508-12
12Epilepsia, 1996; 37: 1043-50
13 BMJ, 1996; 313: 1169-74
14 Neurology, 1996; 46: 600-2
15 Lancet, 1991; 337: 1175-80
16 N Engl J Med, 1994; 330: 1407-10; Hong Kong Pract, 2001; 23: 246-250
17 Neurology, 1996; 46: 41-4
18 Schroeder SA et al., Current Medical Diagnosis & Treatment, Norwalk, CN: Appleton & Lange, 1989: 611-5
19 Lancet, 1992; 340: 4399-43
20 Epilepsia, 2000; 41: 1534-9
21 Lancet, 1999; 353: 2190-4
22 BMJ, 1998; 317: 206
23 Epilepsia, 1986; 27: 760-8
24 Neurology, 1995; 45: 1494-9
25 Epilepsia, 1999; 40: 1279-85
26 Neurology, 1999; 52: 321-7
27 Epilepsia, 1998; 39 [Suppl 6]: 188-9; Epilepsia, 2001; 42 [Suppl 2]: 75
28 J Trad Chin Med, 1990; 10: 101-2
29 Townsend Lett Docs, 1998; 181/182: 94-6
30 Can J Neurol Sci, 1979; 6: 43-5
31 JAMA, 1928; 91: 73-8; Arch Neurol Psych, 1930; 23: 904-14
32 Int Clin Nutr Rev, 1983; 3: 3-9
33 J Neurol Neurosurg Psychiatr, 1983; 46: 227-33
34 Clin Electroencephalogr, 2000; 31: 5-7
35 Clin Electroencephalogr, 1981; 12: 1928
36 Neurology, 1997; 48: 1389-94
37 Ann Neurol, 1998; 43: 748-55


Bijwerkingen

Andere medicijnen, andere risico’s
Elk type anti-epilepticum brengt het risico van verschillende soorten aanvallen met zich mee.
Anti-epilepticum Type aanval
Fenytoïne Een aantal verschillende typen
(en het hoogste risico om zelf een aanval te veroorzaken)
Fenobarbital Negatieve myoclonus, tonisch en absence
Benzodiazepines Tonisch-klonisch
Carbamazepine Tonisch, atonisch, absence, myoklonisch
Oxcarbazepine Absence en myoklonisch
Natriumvalproaat Myoklonisch en status epilepticus
Ethosuximide Gegeneraliseerd non-convulsief en atonisch
Lamotrigine Myoklonisch
Gabapentine Absence en myoklonisch
Vigabatrine Myoklonisch


Uitlokkende factoren (triggers)

Wat kan nog meer een aanval veroorzaken?
De feitelijke oorzaken van aanvallen zijn nog betrekkelijk onbekend. De meerderheid van epilepsiepatiënten kan op z’n minst één oorzaak noemen voor (verergering van) een aanval.20 Hoewel deze oorzaken naargelang het type aanval en syndroom variëren, vormen voor veel epileptici slaapgebrek en de biologische klok inclusief het slaap-waakritme, de meest voorkomende triggers. Andere veroorzakers kunnen zijn:

menstruatiecyclus;
zwangerschap;
menopauze;
fysieke stress;
emotionele stress;
alcohol;
medicijnen (hoestdranken, antihistamines, antidepressiva, antibiotica);
zintuiglijke stimuli (zoals knipperlichten);
metabolische ontregeling (zoals een tekort aan voedingsstoffen).


Andere effecten van medicijngebruik

Meer schade door anti-epileptica:
Recent onderzoek wijst uit dat veel van de beschikbare medicijnen tegen epilepsie, met name de oudere, behalve dat ze de aanvallen verergeren, nog meer negatieve effecten kunnen hebben. Zo kunnen bepaalde soorten anti-epileptica de oorzaak zijn van ernstige huidaandoeningen, zoals het Stevens-Johnson-syndroom, dat potentieel fataal is, en toxisch epidermale necrolyse (ernstige vervelling van de huid vanwege dode huidcellen).

Ook werden er kortdurende huidaandoeningen gemeld door maar liefst 21 procent van de patiënten die oudere medicijnen, zoals fenobarbital, fenytoïne, carbamazepine, valproïnezuur en lamotrigine gebruiken.21 Volgens een kleinschalig Brits onderzoek veroorzaakte het anti-epilepticum vigabatrine bovendien problemen met het gezichtsvermogen bij 73 procent van de deelnemers.22

Maar het meest verontrustend zijn de andere nadelige gevolgen voor de hersenen, zoals een afname van het intellectuele vermogen en het geheugen. Hoewel het meestal om een geringe achteruitgang gaat, kunnen sommige patiënten er een klinisch significant ziektebeeld aan overhouden.23

Fenobarbital blijkt de grootste boosdoener wat betreft vermindering van de verstandelijke vermogens,24 maar ook medicijnen als carbamazepine, fenytoïne, valproaat en benzodiazepinen kunnen zo’n bijwerking hebben.25

Onlangs hebben onderzoekers zich verdiept in de mogelijke bijwerkingen die het modernere medicijn topiramaat heeft op de cognitie en het geheugen. Uit een experiment bleek topiramaat het vermogen woordjes van buiten te leren met bijna 50 procent te verkleinen.26 Ander onderzoek naar de bijwerkingen van topiramaat voor epilepsiepatiënten heeft soortgelijke, weliswaar bescheidener, maar toch significante effecten aangetoond.27

Sommige artsen redeneren dat het om een ‘eerlijke ruil’ gaat: de aanvallen worden onder controle gehouden, en de prijs die men daarvoor betaalt is een gering geheugenverlies. Maar wat voor de één een gering verlies is, kan voor de ander onacceptabel zijn. Sommige patiënten doorstaan liever af en toe een aanval dan dat ze vrij van aanvallen zijn tegen de prijs van subtiele intellectuele aftakeling.


Behandeling zonder medicijnen Vermijd aanvallen op een natuurlijke manier

Er bestaan alternatieven voor medicijnen (of voor een operatie) om epilepsie te behandelen. Vele daarvan kunt u veilig naast reguliere medicijnen gebruiken. Sommige helpen voorkomen dat een enkele aanval zich tot een terugkerende aanval ontwikkelt.

-Acupunctuur. Er zijn alleen kleinschalige experimenten uitgevoerd die aantonen dat behandeling met acupunctuur kan werken. In een experiment met acht kinderen bleek beïnvloeding van de standaardacupunctuurpunten voor epilepsie, in combinatie met beïnvloeding van een aantal andere, voor de individuele patiënt relevante drukpunten, binnen tien minuten nadat de aanval had plaatsgevonden, effectief. 28 Ander bewijs dat op internet werd gepubliceerd, suggereert eveneens dat acupunctuur in sommige gevallen kan helpen (zie www.medicalacupuncture.org/aama_marf/journal/Vol 11_2/poster.html).

-Hyperbare zuurstoftherapie. Men beweert dat deze vorm van zuurstoftherapie, waarbij patiënten pure zuurstof inademen in een kamer met een hogere atmosferische druk dan normaal, enkele goede resultaten heeft opgeleverd bij de behandeling van epilepsie. Echt gedegen onderzoek is er echter nog niet gedaan. De therapie is met succes op ander terrein toegepast, zoals bij het herstel na een beroerte en na traumatische hersenbeschadiging.29

-Voeding. Voedingstekorten die vaak met epilepsie samengaan, zijn onder andere mangaan-, zink- en magnesiumtekort. Een volledige analyse is zeker de moeite waard om vast te stellen of u aan deze tekorten lijdt. Ook andere voedingsstoffen kunnen van belang zijn. Epilepsiepatiënten kunnen een tekort aan vitamine E en selenium hebben; aanvulling kan de aanvalfrequentie aanzienlijk verminderen.30

Het is heel belangrijk dat iedereen die anti-epileptica slikt, beseft dat deze middelen essentiële voedingsstoffen zoals foliumzuur, vitamine D en calcium aan het lichaam kunnen onttrekken. Men dient deze voedingsstoffen dan ook voldoende aan te vullen.

-Probeer een ketogeen dieet. Al lange tijd wordt een vetrijk en eiwit- en koolhydraatarm dieet beproefd om epilepsieaanvallen te bedwingen.31 Een van de voordelen van zo’n dieet is dat het de neiging tot alkalisatie van epileptici tegengaat; ook vermoedt men dat verzuring het geleidingsvermogen en de prikkelbaarheid van de zenuwen en tevens de membraanpermeabiliteit helpt normaliseren.

-Denk aan het milieu. Stap over op biologisch voedsel. Veel gebruikte pesticiden zoals dieldrin, lindaan en pyrethruminsecticiden belemmeren de elektrische activiteit van de hersenen en werken bij mensen die daar gevoelig voor zijn, stuiptrekkingen in de hand doordat ze zich met benzodiazepine-receptoren verbinden. Op vergelijkbare wijze kunnen giftige metalen als lood, kwik, cadmium en aluminium aanvallen teweegbrengen doordat ze de zenuwfunctie verstoren.32

-Homeopathie. Enkele homeopathische middelen werken goed tegen veel soorten epileptische aanvallen. U kunt het best met een homeopathisch specialist overleggen over de vraag welke integrale, natuurlijke remedie u kan helpen.

-Biofeedback. Kleinschalige onderzoeken suggereren dat EEG-biofeedback de hersenen kan ‘trainen’ minder gevoelig te zijn voor veranderingen in hersengolfpatronen. In sommige plaatsen in de Verenigde Staten wordt deze therapie standaard toegepast bij traumatische hersenbeschadiging. In een onderzoek onder moeilijk te behandelen epileptici nam de aanvalfrequentie bij ongeveer 82 procent met 30 procent of meer af.33

Hoewel EEG-biofeedback misschien niet bij iedereen werkt, heeft de therapie geen bijwerkingen zoals veel andere epilepsiebehandelingen. 34
Bovendien kunt u het risico op een aanval verkleinen door aandacht te schenken aan de veroorzakers (zie kader onder aan pag.X) en het hierna volgende advies op te volgen.

-Probeer te achterhalen of u voedselallergie heeft. Veel voedingsdeskundigen zijn van mening dat voedselallergieën de basis vormen van veel typen epilepsie die moeilijk te verklaren zijn, en bepaalde onderzoeken bevestigen dit.35 Laat u helemaal onderzoeken en schrap bepaalde etenswaren dan uit uw voeding.

-Pak de oorzaken van slaapgebrek aan. Epilepsiepatiënten hebben veel vaker een onderbroken slaappatroon dan normale controlegroepen. Slaapapneu (kortstondig stoppen met ademhalen tijdens de slaap) komt veel voor onder patiënten met moeilijk behandelbare epilepsie; er is gedegen bewijs geleverd dat suggereert dat behandeling van slaapapneu de aanvallen kan verminderen.36

-Dagelijkse cycli. Onderzoekers ontdekten dat de aanvalsincidentie zowel voor dieren als mensen in de namiddag een hoogtepunt bereikt en dat zich bij daglicht aanzienlijk meer aanvallen voordoen dan ’s nachts. 37 Het kan dan nuttig zijn uw dagritme zo in te delen dat de invloed van andere aanvalsveroorzakers kleiner wordt.

-Maandelijkse cycli. De meeste deskundigen in de gezondheidszorg zijn zich er niet van bewust dat aanvalspatronen met de menstruatie samenhangen of dat oestrogeen en progesteron specifieke effecten hebben op de aanvalsdrempel. Door een dagboek van de aanvalsactiviteit en van de menstruatiecyclus bij te houden kunt u bepalen of er verband bestaat tussen de hormoonbalans en de aanvallen. Probeer zoveel mogelijk natuurlijke methoden uit, zoals Vitex agnus castus, om de hormonen zo goed mogelijk in balans te krijgen.

 

Wilt u dit artikel lezen?

Als abonnee kunt u dit artikel gratis lezen door in te loggen op uw account. Nog geen abonnee? Sluit nu een abonnement af.

Andere archief artikelen

Uitgelezen; Wie ben ik als niemand kijkt

Liesbeth Woertman onderzoekt in dit boek het leven van vrouwen in vooral de derde levensfase (na de pensionering) en de laatste vierde levensfase (vanaf ongeveer 75 jaar). Wat betekent het voor hen om een ouder lichaam te hebben in een tijd van geseksualiseerde,...

Basisrecept voor elke dag

Heb jij dat ook aan het begin van een nieuw jaar? Ik sta altijd een beetje te trappelen van ongeduld. Wat zal het nieuwe jaar aan bijzondere ontmoetingen en ontwikkelingen met zich meebrengen? Voor wat voor uitdagingen komen we te staan? Hoe zullen de seizoenen...

Innerlijke reis; ik blijf me verwonderen

Een tante gaf Kor Koetje een boek uit de boedel van een boer, en dat bracht hem in zijn tienerjaren op het pad van de natuurgeneeskunde. Het was Homeopathie in de praktijk van dr. J. Voorhoeve uit de jaren 20 van de vorige eeuw. Koetjes’ schoonzus was zijn eerste...

Boezemfibrileren vaak niet opgemerkt

Atriumfibrilleren, of boezemfibrilleren, is een veelvoorkomende volksziekte bij mensen op hogere leeftijd. Het wordt niet altijd opgemerkt door de arts of de patiënt. Boezemfibrilleren is goed behandelbaar, maar onbeschermd is er een sterk verhoogde kans op...