Een pil voor de geest

Volgens wetenschapper David Hamilton tonen de nieuwste bevindingen aan dat ons sterkste medicijn bestaat uit onze eigen geest en zijn verwachtingen.

‘Ze worden niet beter. Ze denken alleen maar dat ze beter worden.’

Dit was de kenmerkende reactie, verwoord door mijn collega’s van het farmaceutische bedrijf, op mijn vraag naar hun mening over het placebo-effect. Een voor ons werk zeer relevant fenomeen, aangezien de door ons ontwikkelde medicijnen in klinische onderzoeken zouden worden getest.

Dit standpunt werd altijd allervriendelijkst verwoord, maar het onderstreepte de al tientallen jaren vastgehouden veronderstelling dat het placebo-effect zich ‘allemaal tussen de oren’ afspeelde. Als een patiënt bij een medicijnonderzoek beter werd na een placebo te hebben gekregen, werd dit afgedaan als onderdeel van het natuurlijke ziekteverloop; het zou hoe dan ook zijn gebeurd.

Een placebo is een niet-werkzame of schijnbehandeling, in de vorm van een pil, injectie of hulpmiddel, toegediend in klinische onderzoeken om als controle te dienen tegenover het echte medicijn of de echte behandeling. Een placebo is niet ontworpen om therapeutische effecten te hebben op de patiënten die het gebruiken. Maar dat effect heeft het vaak wel. En als dit gebeurt, is dat omdat de patiënten geloven dat de placebo het echte medicijn is, of de echte behandeling: het is hun overtuiging die het werk doet.

Overtuiging verandert biologie

Het placebo-effect lijkt misschien een illusie, maar het is wetenschappelijk aangetoond dat het geloof erin zelf echte biologische effecten heeft. Het lijdt zelfs geen twijfel dat geloof chemische veranderingen in de hersenen veroorzaakt en dat deze veranderingen afhankelijk zijn van wat iemand gelooft.

Patiënten kunnen bijvoorbeeld tegengestelde dingen geloven over dezelfde placebo, waardoor tegengestelde effecten optreden. Als een patiënt gelooft dat een pil (zijnde een placebo) pijn zal verminderen, zal de pijn meestal inderdaad afnemen. Maar gelooft de patiënt dat de pil pijn veroorzaakt, dan zal dat ook gebeuren.

In het eerste geval veroorzaakt de overtuiging de aanmaak van natuurlijke vormen van morfine in de hersenen. Wetenschappers van de Universiteit van Californië in de VS toonden aan dat endogene opioïden, de morfine aangemaakt in onze hersenen, verantwoordelijk zijn voor de pijnstillende effecten van placebo’s die tijdens tandheelkundige ingrepen worden gebruikt.1 Maar het is cruciaal dat de endogene opioïden worden geproduceerd als reactie op iemands geloof of verwachting dat de pijn zal verdwijnen. Als een patiënt gelooft dat een placebo pijn zal veroorzaken, blokkeert die overtuiging deze natuurlijke opioïden in de hersenen, waardoor de pijn feitelijk toeneemt.2

De overtuiging dat een placebo ons helpt ontspannen, heeft een kalmerend effect, maar als we geloven dat het een stimulerend middel is, voelen we ons geagiteerd en stijgen de hartslag en bloeddruk, hoewel het in beide gevallen een neppil betreft. Een groep sporters kreeg middeltjes waarvan ze dachten dat die hun kracht en uithoudingsvermogen zouden vergroten, waarna ze inderdaad aan kracht en uithoudingsvermogen wonnen. Maar het waren placebo’s. Gelukkig leidden deze ‘prestatieverhogende placebo’s’ niet tot verbanning uit de competitie, omdat het, nou ja, neppillen waren.3

Bij ander placebo-onderzoek kregen 40 patiënten met astma, emfyseem of een restrictieve longziekte een inhalator met een vernevelde zoutoplossing, maar er werd hen verteld dat er allergenen in zaten die hun luchtwegen zouden vernauwen.4 Het duurde niet lang of 19 van de patiënten reageerden met aanzienlijke vernauwing van hun luchtwegen. Twaalf hadden een volledige astma-aanval.

Toen dezelfde deelnemers een andere inhalator kregen waarvan werd gezegd dat die hun symptomen zou verlichten, hoewel het opnieuw een placebo met zoutoplossing was, verlichtte dit hun symptomen.

Dus die die ene placebo-inhalator veroorzaakte of verminderde bronchospasmen (verkramping van de spieren rond de luchtpijp) bij astmapatiënten, afhankelijk van wat de patiënten geloofden over de werking.

Perceptie doet ertoe

Het is ook mogelijk om kleur als placebo te gebruiken, vanwege wat die voor ons vertegenwoordigt. Hoogleraren geneeskunde van de Universiteit van Cincinnati gaven een groep studenten roze en blauwe placebopillen en vertelden dat het respectievelijk stimulerende en kalmerende middelen waren.5 De effectiviteit als kalmeringsmiddel bleek voor de blauwe pillen 66 procent te zijn, tegenover 26 procent voor de roze pillen.

Met andere woorden, om te helpen ontspannen, werken blauwe placebo’s ongeveer tweeëneenhalf keer beter dan roze. Dit komt doordat blauw voor de meeste mensen een rustgevende kleur is, waardoor we denken dat het die werking echt heeft.

De manier waarop een placebo is verpakt, heeft ook invloed op de kracht ervan. In een Engels onderzoek aan de Keele Universiteit kregen 835 vrouwen een van vier verschillende pillen tegen hoofdpijn.6 De ene groep kreeg aspirine van een bekend merk, een tweede groep kreeg een aspirinetablet met het etiket ‘pijnstiller’, een derde groep kreeg een placebo op dezelfde manier verpakt als de merk-aspirine, terwijl een vierde groep een eenvoudige merkloze placebo kreeg met het label ‘pijnstiller’.

De merk-aspirine werkte beter dan de merkloze, en verbazingwekkend genoeg werkte de merk-placebo beter dan de merkloze – ook al waren ze beide gemaakt van suiker.

Dit verklaart waarom zoveel mensen zweren dat merkpijnstillers zoals Nurofen of Advil beter werken dan generieke ibuprofen, ook al bevatten ze hetzelfde medicijn. Er is een aanzienlijk prijsverschil en Nurofen heeft een duurder ogende verpakking, dus mensen verwachten er meer van. Medicijnen zijn ontworpen om een ​​biologische functie uit te voeren, maar naast de invloed die een medicijn heeft op het lichaam, oefent ook de geest invloed uit.

De kracht van een positief consult

In sommige gevallen kan de geest de effecten van een medicijn versterken – afhankelijk van de verwachting die een patiënt ervan heeft, of van het beeld dat hij heeft van de arts die het voorschrijft – en in andere gevallen kan het de werking onderdrukken, in overeenstemming met wat een patiënt gelooft. Dit weten we, omdat een deel van de variatie in het placebo-effect simpelweg kan worden toegeschreven aan de communicatie tussen zorgverleners en patiënten.

Bij relatief veelvoorkomende aandoeningen is de kans dat een patiënt beter wordt veel groter als een arts vertrouwen of optimisme toont over het herstel, dan als de arts onzeker of pessimistisch is. Op basis van onderzoek dat aantoont dat huisartsen bij ongeveer 40-60 procent van de patiënten die hen bezoeken geen definitieve diagnose stellen, onderzocht een studie van de Universiteit van Southampton bijvoorbeeld de gevolgen van verschillende consultatie-stijlen bij patiënten na een huisartsbezoek.

De onderzoekers vergeleken de resultaten van 200 patiënten, van wie de ene helft een ‘positief’ en de andere helft een ‘niet-positief’ consult kreeg.7

In de ‘positieve’ consulten kregen de patiënten een stevige diagnose, waarbij ze vol vertrouwen werd verteld dat ze binnen een paar dagen zouden herstellen. Soms kregen patiënten een recept waarvan de arts stellig beweerde dat dit ze beter zou maken. Als er geen recept werd gegeven, verzekerde de arts de patiënt dat er geen recept nodig was.

In de ‘niet-positieve’ consulten toonde de arts onzekerheid en zei: ‘Ik weet niet precies wat er met u aan de hand is’. Als de arts een behandeling aanbood, werd daarbij gezegd: ‘Ik weet niet zeker of de behandeling die ik ga geven effect zal hebben.’ Als er geen behandeling werd gegeven, voegde de arts toe: ‘en daarom zal ik u geen behandeling geven’.

Het gegeven recept was vitamine B1, met het opschrift ‘thiaminehydrochloride’, in een zeer lage dosis van 3 mg, waardoor het in wezen een placebo was. Na twee weken was 64 procent van de patiënten die het positieve consult hadden gekregen beter, vergeleken met slechts 39 procent van de patiënten die een niet-positief consult hadden gehad.

En het maakte niet uit of ze werden behandeld of niet. Het verschil in het aantal patiënten dat herstelde, bijna het dubbele, kwam door de manier waarop de arts met de patiënt communiceerde.

Heling door vriendelijkheid

Het verschijnsel van ‘werkelijkheid tegenover inbeelding’ treedt veel vaker op dan algemeen wordt aangenomen. De hersenen produceren stresshormonen, ongeacht of we ons echt in een stressvolle situatie bevinden of ons dat alleen verbeelden. Het zijn de stressgevoelens die de afgifte van stresshormonen zoals adrenaline en cortisol veroorzaken, onafhankelijk van de situatie zelf.

Twee vriendinnen zitten bijvoorbeeld in een auto die vastzit in het verkeer. De een voelt zich gestrest bij de gedachte dat ze te laat op haar afspraak komt, terwijl de ander weet dat ze er niet veel aan kan doen, dus ontspant ze zich. De eerste vrouw zal verhoogde cortisol- en adrenalinespiegels hebben, de tweede niet. Deze niveaus hebben niet zozeer te maken met de situatie zelf, maar des te meer met het gevoel dat iemand heeft over de situatie.
Iets soortgelijks gebeurt met vriendelijkheid. De meesten van ons gaan ervan uit dat het tegenovergestelde van stress vrede, kalmte of een gevoel van ontspanning is, maar deze toestanden vertegenwoordigen de afwezigheid van stress, niet het tegenovergestelde. Het tegenovergestelde van een gevoel van stress is het gevoel dat wordt veroorzaakt door vriendelijkeid.1

Uit onderzoek dat de dagelijkse stressscore van mensen registreerde en het geschatte aantal vriendelijke dingen die werden gezegd of gedaan, bleek dat stress en vriendelijkheid als het ware tegenover elkaar op een wip zaten: als vriendelijkheid omhoog ging, daalde stress en andersom. Dit betekent niet dat vriendelijkheid de afwezigheid van stressvolle gebeurtenissen veroorzaakt, alleen dat beide gevoelens niet tegelijk kunnen bestaan, en naarmate de gevoelens die worden opgewekt door vriendelijkheid toenemen, wordt een deel van de angel weggenomen uit gebeurtenissen die gesproken stressvol zijn.

Probeer daarom vriendelijkheid uit te stralen als je stress wilt verminderen.

Bron
1 David R. Hamilton, The Five Side Effects of Kindness (Hay House UK, 2018) and The Little Book of Kindness (Gaia, 2019)

 

Waarom veroorzaakt geloof deze effecten? Pijnstillende placebo’s werken, omdat mensen verwachten dat ze voor pijnvermindering zullen zorgen. Deze verwachting zorgt ervoor dat hun hersenen hun eigen natuurlijke pijnstillers produceren, die vervolgens zorgen voor pijnvermindering.

Studies aan het Centrum voor Neurodegeneratieve Aandoeningen van de Universiteit van Brits Columbia in Canada hebben aangetoond dat de overtuiging dat een placebo een middel is tegen de ziekte van Parkinson, ervoor zorgt dat de hersenen de neurotransmitter dopamine produceren.8 Overtuiging mobiliseert, net als bij pijnstilling, de natuurlijke hulpbronnen van de hersenen om te voldoen aan de verwachtingen. Met andere woorden: een overtuiging over wat er zou moeten gebeuren, zorgt ervoor dat de hersenen datgene gaan produceren wat nodig is voor dat resultaat.

Uiteraard geldt dit slechts tot op zekere hoogte. De overtuiging dat een placebo een chemotherapiemedicijn is, zorgt er niet voor dat de hersenen hun eigen chemotherapiemedicijn produceren en ethisch gezien zou er nooit een reden kunnen zijn om hiermee te experimenteren. Sommige gedocumenteerde spontane remissies bij patiënten zijn echter mogelijk opgetreden, omdat geloof, of overtuiging, het immuunsysteem mobiliseerde.

 

Het liefdeshormoon

Net zoals gevoelens van stress stresshormonen produceren, worden bij vriendelijkheid ook biologische stofjes geproduceerd. Ik noem ze vriendelijkheidshormonen en de belangrijkste daarvan is oxytocine. Oxytocine, dat bekend is om zijn belang bij voortplanting, borstvoeding en zelfs sociale binding, vervult ook vele andere belangrijke functies in het lichaam.

Terwijl stresshormonen de bloeddruk verhogen, verlaagt oxytocine deze. Oxytocine heeft ook antioxiderende en ontstekingsremmende eigenschappen, helpt bij de spijsvertering en wondgenezing en is zelfs betrokken bij de opbouw van de hartspier en vele andere celtypen uit stamcellen.

Dit betekent dat al deze functies worden beïnvloed door hoe vriendelijkheid aanvoelt, net zoals veel functies in de hersenen en het lichaam worden beïnvloed door hoe stress aanvoelt.

Pas nu beginnen we echter de bijwerkingen van positieve gevoelens te onderzoeken, en dat zijn er heel wat. Op het psychische vlak verhogen positieve gevoelens het geluk, bouwen ze aan veerkracht en beschermen ze tegen depressies. Ze beïnvloeden de hersenfunctie en veroorzaken zelfs neurologische veranderingen als de gevoelens een bepaalde tijd aanhouden; ze verminderen ook ontstekingen en helpen ons zelfs langer te leven.

Net zoals er in je hersenen geen onderscheid bestaat tussen een echte stressvolle gebeurtenis en een ingebeelde, zo is het ook met vriendelijkheid. Je hersenen zullen vriendelijkheidshormonen produceren als je aardig bent, getuige bent van een vriendelijke daad, je er een voorstelt of er je zelfs een herinnert. Je gevoelens veroorzaken als gevolg van je vriendelijkheid de fysiologische effecten. Denken aan dingen die ons irriteren, voedt gevoelens van stress, en vervolgens de fysiologie van stress. Vriendelijke dingen over mensen denken, wat vriendelijke gevoelens oproept, kan een eenvoudige manier zijn om stress te verminderen.

Kunnen we het placebo-effect benutten?

In het Hartcentrum van de Universiteit van Marburg in Duitsland werden 124 patiënten die ingepland stonden voor een bypassoperatie willekeurig verdeeld in drie groepen: de ‘Expect’-groep, waar de nadruk lag op het optimaliseren van de positieve levensverwachtingen van patiënten na de operatie, zoals als het deelnemen aan activiteiten; de ‘Support’-groep, waar patiënten emotionele steun kregen; en de groep ‘Standaard medische zorg’, waar patiënten de gebruikelijke behandeling kregen.9

Zes maanden na hun operatie hadden patiënten uit de ‘Expect’-groep een veel hogere kwaliteit van leven en subjectief werkvermogen dan die uit de andere twee groepen. Ondersteuning was ook nuttig, maar de verwachting dat het goed zou gaan had verreweg het meeste effect. Wanneer artsen hun patiënten hoop geven en hen helpen te verwachten beter te worden, worden ze sneller beter.

Placebo-gecontroleerde dosisverlaging

Een boeiende lijn van onderzoek naar benutting van het placebo-effect is placebo-gecontroleerde dosisverlaging (PCDR), waarbij wetenschappers een medicijn een paar dagen toedienen, waarna het zonder medeweten van de patiënt wordt omgeruild voor een placebo. Hoe vaker de patiënten het medicijn krijgen, hoe sterker ze hun klachtenverlichting daarmee associëren en hoe sterker het effect van de placebo dus is wanneer de wissel wordt gemaakt. Op deze manier kan de dosering van het medicijn worden verlaagd en uiteindelijk worden vervangen door een placebo.

Professor Fabrizio Benedetti van de medische faculteit van de Universiteit van Turijn in Italië heeft dit effect duidelijk aangetoond met een onderzoek onder patiënten met de ziekte van Parkinson.10

De patiënten werden in verschillende groepen verdeeld. Op één na kregen alle groepen op dag 1 van het onderzoek een volledige dosis van het geneesmiddel tegen Parkinson, apomorfine, en Benedetti mat hun klinische respons door meting van de vermindering van tremoren en spierstijfheid, evenals de mate van activering van individuele neuronen in het hersengebied waarvan bekend is dat dit wordt beïnvloed door de aandoening. Hij gaf de andere groepen in plaats daarvan een placebo-injectie (zoutoplossing) zonder enig klinisch effect.

In de dagen daarna verruilde Benedetti het medicijn voor de placebo. Een groep die het medicijn op dag 1 kreeg, kreeg de placebo op dag 2. Een andere groep kreeg het medicijn twee dagen, waarna het op dag 3 werd geruild voor de placebo. Nog een andere groep kreeg het medicijn drie dagen, voordat het op dag 4 werd verwisseld voor de placebo.

Elke keer dat een patiënt een dosis apomorfine kreeg, was de ervaring: ‘wanneer ik deze injectie krijg, nemen mijn trillingen en mijn spierstijfheid af’, en elke dag werd het effect van de placebo sterker.

Op dag 5 deed Benedetti de medicijn-placebo-ruil voor de laatste groep, die de vier dagen daarvoor apomorfine had gekregen en de meeste ervaring met het medicijn had opgebouwd. Verbazingwekkend genoeg kwam de sterkte van de placebo met zoutoplossing overeen met die van het medicijn; het verminderde trillingen en spierstijfheid en er vond in dezelfde mate activering van neuronen plaats.

Benedetti rapporteerde: ‘Het is gebleken dat placebotoediening, na vier preconditioneringsproeven met apomorfine, even grote klinische reacties teweegbracht als apomorfine.”

Deze resultaten bestonden niet alleen ‘tussen de oren’ in de figuurlijke zin, want er traden echte, meetbare veranderingen op in het hersengebied dat bij Parkinson-patiënten gewoonlijk een tekort aan dopamine heeft.

Hetzelfde soort effect is ook aangetoond in het immuunsysteem, waar een gefaseerde omwisseling van een afweeronderdrukkend medicijn (ciclosporine A) voor een placebo zorgt voor onderdrukking van het immuunsysteem.11

PCDR werkt, omdat verwachting en geloof fysieke veranderingen in de biochemie veroorzaken.

Het doel van deze onderzoekslijn naar het immuunsysteem is hulp bieden aan patiënten die orgaantransplantaties ondergaan of die een auto-immuunziekte hebben, zoals multiple sclerose (MS), reumatoïde artritis of lupus. Als PCDR uiteindelijk zou kunnen worden toegepast op een groter aantal medische aandoeningen, zou dit enorme kostenbesparingen kunnen opleveren, waardoor geld naar andere gebieden van de gezondheidszorg kan worden gesluisd.

PCDR kan ook de bijwerkingen van medicatie verminderen. Een PCDR-onderzoek onder kinderen met ADHD wees uit dat er minder aan stimulerende middelen gerelateerde bijwerkingen optraden na omwisseling van 50 procent van de medicijndosis met een placebo.12

De kracht van onze verbeelding

In de hersenen bestaat grotendeels geen onderscheid tussen echt en denkbeeldig, wat een onderbouwing vormt voor sommige aspecten van het placebo-effect (zie kader). Als je je voorstelt dat er iets gebeurt, gebeurt het voor zover het je hersenen betreft ook echt. Dit zorgt ervoor dat de chemische stoffen vrijkomen die nodig zijn om te bevestigen dat wat je je voorstelt echt waar is.

Een van mijn favoriete wetenschappelijke studies staat bekend als de pianostudie.13 In 1995 vroeg Alvaro Pascual-Leone, hoogleraar neurologie aan de Harvard Medical School, een groep vrijwilligers om vijf dagen lang dagelijks een reeks van vijf noten op een piano te spelen. De noten werden twee uur lang per dag gespeeld, één noot met elke vinger van de hand, op en neer bewegend op een schaal van vijf noten.

Terwijl de vrijwilligers dit deden, deed een aparte groep hetzelfde, maar dan zonder piano. Ze sloten hun ogen en beeldden zich in dat ze de vijf noten op deze manier speelden. Dit nabootsen van beweging door ons levendig voor te stellen hoe het voelt om te bewegen wordt kinesthetische beeldvorming genoemd.

Elke vrijwilliger kreeg dagelijks een hersenscan en na vijf dagen waren bij degenen die de noten op de piano hadden gespeeld aanzienlijke veranderingen te zien in het hersengebied dat verband hield met hun vingerspieren; hetzelfde gold echter voor de vrijwilligers die zich het spelen van de noten hadden voorgesteld. Bij het vergelijken van de scans was het zelfs niet mogelijk om te zeggen of een scan afkomstig was van iemand die de noten met de vingers of in gedachten had gespeeld.

Ten tijde van de pianostudie was het al bekend dat sporters hun prestaties konden verbeteren door visualisatie te oefenen, maar dit was de keer dat met hersenscans werd bevestigd wat er werkelijk gebeurt als een persoon iets visualiseert. De heersende overtuiging onder sportcoaches was dat visualisatie bij sporters werkte, doordat het zorgde voor verbetering van hun focus en hun motivatie om te trainen en te oefenen. Elke theorie dat er echt veranderingen plaatsvonden in de hersenen werd afgedaan als pseudowetenschap.

Na een overvloedige hoeveelheid onderzoek is het nu algemeen bekend dat de optimale manier om prestaties bij alle sporten of beweging te verbeteren, is om fysieke oefening te combineren met visualisatie. Studies tonen aan dat fysieke oefening plus visualisatie effectiever is dan fysieke oefening alleen, wat weer beter is dan visualisatie alleen.

Positieve bevestigingen

Herhaling is de sleutel tot een geslaagde, werkzame visualisatie. Het is aangetoond dat dit zorgt voor zodanige beïnvloeding van het de hersennetwerken, dat ze gaan produceren wat we ons voorstellen. Mijn eerste ervaring met dit verschijnsel was herhaling van positieve affirmaties, waarbij iets soortgelijks gebeurt. The Psychology Dictionary definieert een affirmatie als ‘een korte zin die keer op keer wordt uitgesproken, in een poging om in iemands psyche zaadjes te planten van gelukkige en positieve opvattingen en houdingen.’1

Aan het eind van de negentiende eeuw merkte de Franse psycholoog Emile Coue op dat zijn patiënten vaak sneller herstelden als hij hen hielp te verwachten dat ze beter zouden worden. Dus ontwikkelde hij wat hij autosuggesties noemde, waarvan de bekendste is: ‘Elke dag, in elk opzicht, word ik beter en beter.’

Tegenwoordig noemen we autosuggesties positieve bevestigingen of positieve zelfbevestigingen. Ze helpen ons om positiever te denken en te voelen en als gevolg daarvan positieve en bevestigende actie te ondernemen.
Serieus onderzoek naar affirmaties begon in de jaren tachtig, toen de Amerikaanse sociaal psycholoog Claude Steele een artikel publiceerde over zijn zelfbevestigingstheorie.2

Dit stelt dat mensen fundamenteel gemotiveerd zijn om een ​​positief zelfbeeld te behouden, dat wil zeggen een algemene perceptie van onszelf als goed, deugdzaam, competent, stabiel, in staat tot vrije keuze en met een gevoel van controle over belangrijke resultaten in ons leven. Zelfbevestigingen zijn dus uitspraken die onze kernwaarden bevestigen; als iemand bijvoorbeeld een kernwaarde van vriendelijkheid heeft, zou de bevestiging zoiets zijn als: ‘Ik ben een goed mens.’ Onderzoek heeft aangetoond dat wanneer we iets zeggen dat onze waarden op deze manier bevestigt, het ons positiever laat denken en voelen; we zijn dan ook veel meer geneigd om ons gezond te gaan gedragen en om positieve stappen te nemen om ons leven te verbeteren. Dit is vooral het geval wanneer affirmaties worden herhaald.

Bronnen
1 psychologydictionary.org/affirmation/
2 Adv Exp Soc Psychol, 1988; 21: 261–302

 

Visualisatie ter ondersteuning van herstel

Dit soort oefeningen heeft ook honderden mensen geholpen om sneller te herstellen na een beroerte. In meerdere onderzoeken kregen patiënten met een beroerte ofwel standaard fysiotherapie ofwel fysiotherapie plus visualisatie. Degenen die visualisatie plus fysiotherapie kregen, herstelden beter en veel sneller dan degenen die alleen fysiotherapie kregen.

In een onderzoek van de Universiteit van Cincinnati bijvoorbeeld luisterden patiënten met een chronische beroerte na elke fysiotherapiesessie naar een opname die hen begeleidde door visualisaties van hand-, arm- en schouderbewegingen van hun aangetaste zijde.14 Bij een test na zes weken bleek de armfunctie van deze patiënten significant beter te zijn dan die van patiënten in een controlegroep die ontspanningsoefeningen deden na fysiotherapie.

Een grote meta-analyse verwijst sindsdien naar visualisatie als een ‘bruikbare interventie’ voor mensen die herstellen van een beroerte.15 Verdere analyses suggereren dat visualisatie bij sommige patiënten met een beroerte zelfs helpt bij het herstellen van sommige beschadigde hersengebieden. In andere gevallen schakelt het hersengebied voor beweging over naar een nieuwe, onbeschadigde hersenlocatie waar neuroplasticiteit kan optreden, leidend tot een terugkeer naar een betere bewegingsvrijheid.

Eén onderzoek meldde dat er in de hersenen van beroertepatiënten die visualisatie gebruikten een zekere mate van reorganisatie was opgetreden in de hersenschors (cortex) was opgetreden als gevolg van hun mentale oefening.16

 

Visualisatie tegen kanker

Uit onderzoek blijkt dat de scheiding tussen echt en denkbeeldig, waar het de hersenen betreft, steeds vager wordt. Na aanwijzingen dat vrijwilligers in staat waren de antilichaamspiegels van het immuunsysteem te verhogen door de toename ervan te visualiseren, voerden onderzoekers van de United Lincolnshire Hospitals NHS Trust in Groot-Brittannië een gerandomiseerde gecontroleerde studie uit bij vrouwen die werden behandeld voor borstkanker.1

Alle vrouwen kregen hun geplande behandeling (chemotherapie, chirurgie, radiotherapie en hormoontherapie), maar de helft deed ook dagelijkse visualisatiesessies waarbij werd gevisualiseerd dat het immuunsysteem kankercellen vernietigde.

De vrouwen in de visualisatiegroep bleken veel hogere niveaus van belangrijke immuuncellen te hebben, zoals natuurlijke killercellen, T-cellen en T-helpercellen, dan degenen die niet visualiseerden, zelfs na vier cycli van chemotherapie. De onderzoekers meldden dat het immuunsysteem na de vier cycli nog steeds een hoge cytotoxiciteit vertoonde tegen kankercellen, maar alleen bij de vrouwen die zich voorstelden dat hun immuuncellen bezig waren kankercellen te vernietigen.

Bron
1 Breast, 2009; 18: 17–25

Wilt u dit artikel lezen?

Als abonnee kunt u dit artikel gratis lezen door in te loggen op uw account. Nog geen abonnee? Sluit nu een abonnement af.

Andere archief artikelen

Uitgelezen; Wie ben ik als niemand kijkt

Liesbeth Woertman onderzoekt in dit boek het leven van vrouwen in vooral de derde levensfase (na de pensionering) en de laatste vierde levensfase (vanaf ongeveer 75 jaar). Wat betekent het voor hen om een ouder lichaam te hebben in een tijd van geseksualiseerde,...

Basisrecept voor elke dag

Heb jij dat ook aan het begin van een nieuw jaar? Ik sta altijd een beetje te trappelen van ongeduld. Wat zal het nieuwe jaar aan bijzondere ontmoetingen en ontwikkelingen met zich meebrengen? Voor wat voor uitdagingen komen we te staan? Hoe zullen de seizoenen...

Innerlijke reis; ik blijf me verwonderen

Een tante gaf Kor Koetje een boek uit de boedel van een boer, en dat bracht hem in zijn tienerjaren op het pad van de natuurgeneeskunde. Het was Homeopathie in de praktijk van dr. J. Voorhoeve uit de jaren 20 van de vorige eeuw. Koetjes’ schoonzus was zijn eerste...

Boezemfibrileren vaak niet opgemerkt

Atriumfibrilleren, of boezemfibrilleren, is een veelvoorkomende volksziekte bij mensen op hogere leeftijd. Het wordt niet altijd opgemerkt door de arts of de patiënt. Boezemfibrilleren is goed behandelbaar, maar onbeschermd is er een sterk verhoogde kans op...