De apotheker
Supplementen en laboratoriumwaarden
Waarom tijdelijk stoppen vóór bloedonderzoek soms noodzakelijk is
Wie supplementen slikt en binnenkort bloed laat prikken, denkt daar zelden bij na. Toch kan dat net het verschil maken tussen een betrouwbare uitslag en een misleidende.
5.000-10.000 mcg
Gangbare dagdosering biotine in haar-, huid- en nagelsupplementen, ruim boven de normale behoefte
48 uur
Vuistregel: zo lang biotine staken voor schildklieronderzoek en andere gevoelige immunoassays
24 uur
Praktische pauze voor ijzersuppletie voor een ijzeronderzoek
2 manieren
Supplementen veranderen iets in het lichaam of verstoren de meting zelf
Twee routes naar een afwijkende uitslag
Het gebruik van voedingssupplementen is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Veel mensen slikken dagelijks vitamine D, magnesium, zink, ijzer, vitamine B12, vitamine C, omega-3, probiotica of kruidenextracten, vaak op eigen initiatief, bij vermoeidheid, stress, slaapproblemen, hormonale klachten, darmproblemen of ter ondersteuning van hart en bloedvaten. Een belangrijk punt wordt daarbij vaak vergeten: supplementen kunnen laboratoriumwaarden beïnvloeden. Dat gebeurt op twee manieren. Sommige supplementen veranderen werkelijk iets in het lichaam, zoals vitamine D, ijzer, zink of B12. Andere verstoren niet het lichaam, maar de laboratoriummeting zelf: dit heet analytische interferentie. Vooral moderne immunoassays zijn hiervoor gevoelig – laboratoriumtesten waarbij antistoffen een bepaalde stof in het bloed heel precies meten, zoals een hormoon, vitamine, ontstekingsmarker of tumormarker. Het verschil tussen een werkelijke verandering en een meetfout is essentieel, want een verkeerde interpretatie kan leiden tot onnodige ongerustheid, aanvullend onderzoek, een foutieve diagnose of een onterechte aanpassing van medicatie.1,2

Vitamine D, magnesium, zink, ijzer en omega-3 worden vaak op eigen initiatief geslikt – en zelden gemeld voor een bloedonderzoek.
Biotine: de bekendste stoorzender
Een bekend voorbeeld is biotine, ook wel vitamine B7. Biotine zit in veel supplementen voor haar, huid en nagels, vaak in doseringen van 5.000 tot 10.000 microgram per dag, ruim boven de normale dagelijkse behoefte. Hoewel wateroplosbaar, kan biotine laboratoriumtesten ernstig verstoren.1,2 Dat komt doordat veel immunoassays gebruikmaken van het biotine-streptavidinesysteem, een technisch “haak-en-oog”-mechanisme waarmee stoffen in het bloed normaal betrouwbaar worden gevangen en gemeten. Bij veel vrij biotine in het bloed kan dit systeem echter geblokkeerd raken, waardoor de uitslag vals hoog of vals laag wordt. Bij schildklieronderzoek is dit goed beschreven: TSH kan vals laag lijken, terwijl vrij T4 en T3 vals verhoogd kunnen lijken, met als gevolg de onterechte indruk van een te snel werkende schildklier of een te hoge dosering schildkliermedicatie.1,3,4
De American Thyroid Association adviseert daarom biotine minimaal twee dagen vóór schildklieronderzoek te stoppen.3 Bij hoge doseringen, langdurig gebruik of onverklaarbare uitslagen kan een langere pauze verstandig zijn, in overleg met arts of laboratorium. De gevoeligheid voor interferentie verschilt bovendien per testmethode en fabrikant, waardoor dezelfde patiënt bij het ene laboratorium wel en bij het andere geen verstoorde uitslag krijgt.1 Juist daardoor is biotine-interferentie verraderlijk: het probleem is niet altijd zichtbaar aan de buitenkant van de uitslag.
Biotine is niet alleen relevant voor schildklierwaarden. Ook testen voor troponine, parathormoon, bepaalde hormonen, tumormarkers en vitamine D kunnen gevoelig zijn. De Amerikaanse FDA waarschuwt specifiek dat biotine kan leiden tot foutieve laboratoriumuitslagen die niet altijd direct worden herkend.2 Vooral bij troponine, gebruikt bij verdenking op een hartinfarct, is een foutief lage uitslag risicovol. Biotinegebruik moet daarom altijd worden gemeld vóór bloedonderzoek, zeker bij spoedonderzoek of onverklaarbare uitslagen.1,2
“Schrijf voor het bloedprikken altijd op wat je precies aan supplementen gebruikt.”
Vitamine B12: de meting klopt, de interpretatie niet
Vitamine B12 vormt een ander probleem: niet zozeer de meetmethode, maar de interpretatie raakt verstoord. Hoge doseringen methylcobalamine, cyanocobalamine of hydroxocobalamine, soms als tablet en soms als injectie, houden de serum-B12-waarde langdurig hoog. Een hoge serumwaarde lijkt geruststellend, maar zegt niet altijd dat de B12-status op celniveau optimaal is. Vooral bij neurologische klachten, tintelingen, branderige voeten, krachtsverlies, geheugenklachten of risicofactoren zoals metforminegebruik, maagzuurremmers, darmziekten of een veganistisch voedingspatroon is voorzichtigheid geboden bij de interpretatie van één losse B12-waarde.8,9 Bij verdenking op een functioneel tekort – waarbij B12 wel meetbaar is, maar niet goed functioneert – zijn methylmalonzuur, homocysteïne en holotranscobalamine vaak informatiever dan serum-B12 alleen.8,9 Ook deze markers zijn niet perfect: methylmalonzuur kan bijvoorbeeld stijgen bij nierfunctiestoornissen. Toch geeft een combinatie van klachten, risicofactoren en aanvullende markers een betrouwbaarder beeld.
Wie al weken of maanden B12 gebruikt, meet vooral het effect van de suppletie, niet de oorspronkelijke uitgangsstatus. Bij injecties duurt het bovendien lang voordat serumwaarden weer een natuurlijker beeld geven. Stoppen is niet altijd wenselijk, vooral niet bij een bewezen tekort of duidelijke neurologische klachten.8,9

Hoge doseringen B12 als tablet of injectie houden de serumwaarde langdurig hoog; die waarde zegt dan vooral iets over de suppletie, niet over de uitgangsstatus.
Vitamine C: reducerend, en daardoor storend
Vitamine C, ofwel ascorbinezuur, is een reducerende stof die gemakkelijk elektronen afstaat en zo bepaalde chemische reacties kan beïnvloeden, met name testen gebaseerd op oxidatie-reductiereacties. Bij urineonderzoek met teststrips kan vitamine C fout-negatieve resultaten geven voor onder andere glucose, bloed, nitriet en leukocyten, afhankelijk van de gebruikte teststrip.5 Fout-negatief betekent dat de test aangeeft dat iets er niet is, terwijl het in werkelijkheid wel aanwezig kan zijn: een ogenschijnlijk normale urinetest kan dus toch afwijkingen verhullen. Ook glucosemetingen kunnen worden beïnvloed: bij sommige point-of-care glucosemeters, zoals een vingerprikmeter, leidt ascorbinezuur tot foutieve waarden.6,7 Dit is vooral relevant bij diabetici en patiënten die intraveneuze vitamine C krijgen; een foutief verhoogde glucosewaarde kan leiden tot onnodige insulinedosering en hypoglykemie, met klachten als trillen, zweten of bewustzijnsverlies. Bij orale doseringen is het risico kleiner dan bij intraveneuze toediening, maar bij onverwachte uitslagen moet vitamine C-gebruik altijd worden meegenomen.
Vitamine D: een momentopname
Vitamine D werkt weer anders. De bepaling van 25-hydroxyvitamine D toont vooral de actuele status, inclusief zonblootstelling, voeding en suppletie – vaak precies de bedoeling, bijvoorbeeld om te controleren of de gekozen dosering voldoende is. Wil men echter weten of iemand zónder suppletie een tekort zou hebben, dan is de waarde minder geschikt. Omdat vitamine D vetoplosbaar is en in het lichaam wordt opgeslagen, verandert een korte pauze van twee of drie dagen weinig aan de uitslag.

Serumijzer schommelt sterk gedurende de dag: laat bloed bij voorkeur ’s ochtends afnemen en neem de ijzertablet niet vlak voor de prik.
Mineralen: het tijdstip van inname telt
Bij mineralen telt vooral het tijdstip van inname. IJzer is daarvan een goed voorbeeld: serumijzer fluctueert sterk gedurende de dag, en wie kort vóór bloedafname een ijzertablet neemt, kan tijdelijk hogere serumijzerwaarden of een hogere transferrinesaturatie laten zien.10 Ferritine, het opslageiwit voor ijzer, is meestal stabieler en zegt meer over de ijzervoorraad, maar stijgt ook bij ontsteking, infectie of leverproblemen, waardoor het normaal of hoog kan lijken terwijl er toch een functioneel ijzertekort bestaat. Laat bloed daarom bij voorkeur ’s ochtends afnemen en neem ijzersuppletie niet vlak vóór de bloedafname in.10
Zink en koper laten zien dat supplementen ook indirect laboratoriumwaarden kunnen veranderen. Langdurig hoog gedoseerde zinkinname kan de koperopname remmen; een kopertekort kan vervolgens leiden tot bloedarmoede, neutropenie en neurologische klachten.11 Dan is de afwijkende waarde geen meetfout, maar een werkelijk gevolg van langdurige suppletie: mineralen concurreren om opname en kunnen bij hoge doseringen nieuwe tekorten veroorzaken.
“Kruidenextracten lijken vaak onschuldig, maar zijn dat lang niet altijd.”
Kruidenextracten: onopvallend, maar biologisch actief
Ook kruidenextracten verdienen aandacht: ze worden vaak minder serieus genomen dan medicijnen, terwijl ze biologisch actieve stoffen bevatten. Sint-janskruid kan onder andere CYP3A4 en P-glycoproteïne induceren – respectievelijk een leverenzym dat geneesmiddelen afbreekt en een transporteiwit dat stoffen actief uit cellen pompt – waardoor de spiegels van bepaalde geneesmiddelen dalen. Dat kan klinisch relevant zijn bij middelen met een smalle therapeutische breedte, zoals antidepressiva, anticonceptie, immunosuppressiva, antistolling, hiv-medicatie en oncologische middelen, waarbij het verschil tussen een werkzame en een te lage dosis klein is.14 Laboratoriumwaarden kunnen hierdoor indirect veranderen, doordat een geneesmiddel minder goed werkt of anders wordt afgebroken.
Geconcentreerd groenethee-extract in capsules is iets anders dan groene thee als drank en is in verband gebracht met leverenzymstijgingen en zeldzame gevallen van leverbeschadiging.13 Ashwagandha, veel gebruikt bij stress en slaapklachten, is in casussen geassocieerd met thyreotoxicose – te veel schildklierhormoonwerking, met klachten als hartkloppingen, gewichtsverlies, trillen of onrust.12 Dat betekent niet dat iedere gebruiker problemen krijgt, maar afwijkende lever- of schildklierwaarden moeten altijd worden bekeken in het licht van supplement- en kruidengebruik.
Wanneer pauzeren, en wanneer juist niet
De praktische vraag is dus: wanneer moet iemand tijdelijk stoppen met supplementen vóór bloedonderzoek? Een universeel antwoord bestaat niet – het hangt af van het supplement, de dosering, de duur van gebruik en vooral van het doel van de test. Wil men het effect van suppletie meten, dan hoeft men meestal niet te stoppen; wil men de natuurlijke uitgangswaarde weten of onverklaarbare uitslagen ophelderen, dan kan tijdelijk pauzeren zinvol zijn.
Voor biotine geldt als vuistregel minimaal 48 uur te stoppen vóór schildklieronderzoek en andere gevoelige immunoassays, en bij hoge doseringen liever langer, in overleg met arts of laboratorium.1,3 Vitamine C kan men bij regulier bloed- of urineonderzoek vaak één tot enkele dagen pauzeren, vooral bij hoge doseringen of wanneer glucose-, urine- of oxidatiegevoelige testen worden bepaald.5,6,7 IJzer neemt men bij voorkeur niet vlak vóór ijzeronderzoek in; 24 uur pauze is meestal praktisch, tenzij de arts anders adviseert.10 Bij vitamine B12 ligt het genuanceerder: stoppen heeft op korte termijn vaak weinig zin bij hoge doseringen of injecties, en kan onwenselijk zijn bij een bewezen tekort of neurologische klachten.8,9 Het stoppen van vitamine D voor een paar dagen verandert weinig aan de uitslag. Bij kruidenextracten hangt het af van het middel en de reden van onderzoek, maar bij onverklaarde lever-, schildklier- of stollingsafwijkingen is het verstandig het gebruik te melden en zo nodig tijdelijk te pauzeren onder begeleiding.12,13,14

Een compleet lijstje met dosering, merk en laatste innamemoment helpt arts en laboratorium de uitslag in de juiste context te plaatsen.
Schrijf op wat je gebruikt
Het belangrijkste praktische advies is eenvoudig: schrijf vóór bloedonderzoek alles op wat je gebruikt. Niet alleen receptmedicatie, maar ook zelfzorgmiddelen, vitamines, mineralen, kruidenproducten, haar- en nagelsupplementen, sportpreparaten, eiwitpoeders, injecties en infusen – bij voorkeur met dosering, merk en laatste innamemoment.
Laboratoriumwaarden zijn nooit losse getallen: ze krijgen pas betekenis door de context van klachten, medicatie, supplementen, voeding, tijdstip van afname, nierfunctie, leverfunctie en meetmethode. Dat maakt supplementen niet per definitie gevaarlijk, maar wel relevant. De beste benadering is daarom niet om ze standaard te wantrouwen, maar serieus mee te nemen in de interpretatie. Soms moet men tijdelijk stoppen, soms juist niet. En soms is een onverwachte uitslag vooral een signaal om eerst de vraag te stellen: wat gebruikt deze patiënt eigenlijk allemaal?
Bronnen
- J Appl Lab Med. 2020 May 1;5(3):575-587.
- https://www.fda.gov/medical-devices/in-vitro-diagnostics/biotin-interference-troponin-lab-tests-assays-subject-biotin-interference
- Cureus. 2019 May 23;11(5):e4727
- Thyroid. 2021 Aug;31(8):1160-1170
- J Clin Lab Anal. 2017 Sep;31(5):e22080
- Diabetes Sci Technol. 2021 Jul;15(4):897-900
- Clin Biochem. 2006 Apr;39(4):396-403
- Nat Rev Dis Primers. 2017 Jun 29;3:17040
- Crit Rev Clin Lab Sci. 2021 Sep;58(6):399-429
- Am J Clin Pathol. 2002 May;117(5):802-8
- JAMA. 1978;240(20):2166–2168
- Ned Tijdschr Geneeskd. 2005 Nov 19;149(47):2637-8
- Eur J Clin Pharmacol. 2009 Apr;65(4):331-41
- Drugs. 2009;69(13):1777-98