Bijwerkingen bij ouderen

Bij ouderen treden meer bijwerkingen van medicijnen op dan bij jongeren. Een ‘meevaller’ is weer dat ouderen meestal een lagere dosering nodig hebben. Waarom dit verschil?

Laten we ter verklaring eens een medicijn volgen dat we innemen. Na doorslikken komt het middel in de maag. De ‘doorlaatbaarheid’ van maag en darmen is vaak in de loop der jaren veranderd. Soms worden medicijnen versneld of vertraagd opgenomen. Soms is er geen verschil tussen senioren en jongeren. Zo wordt paracetamol even snel opgenomen, maar zijn ijzertabletten voor ouderen weer wat moeilijker te ‘verteren’.

Als de eerste hindernis is genomen, komen de medicijnen in het bloed. Het probleem met veel medicijnen is dat ze niet alléén op de plaats van bestemming werken. Als we kiespijn hebben, nemen we een paracetamol. Maar het bloed vervoert het geneesmiddel ook trouw naar andere delen van het lichaam. De paracetamol heeft de kiespijn bestreden, maar kan ook elders klachten geven. Buikpijn of de huid die rood wordt. Een medicijn heeft dus mogelijkheden te over om op meer plekken zijn werking uit te oefenen en zo voor bijwerkingen te zorgen. Soms werkt een medicijn wel specifiek. Opgenomen jodium vindt zijn weg naar de schildklier en is alleen daar aanwezig.

Het bloed bevat ook eiwitten die de neiging hebben om medicijnen aan zich te binden, waardoor er minder geneesmiddel beschikbaar is om z’n werk te doen. Als we ouder worden hebben we minder van deze eiwitten, waardoor er dus meer medicijn overblijft voor de eigenlijke werking. Ouderen hoeven dus minder geneesmiddel te slikken dan jongeren.

Allerlei andere factoren spelen ook een rol. Vaak neemt het vochtgehalte in het lichaam af: we ‘drogen een beetje uit’. Het spierweefsel neemt in hoeveelheid af en het vetgehalte neemt toe. Dat heeft verschillende consequenties. In een ‘uitgedroogd’ lichaam is de concentratie van een medicijn hoger dan wanneer er meer vocht is. Wordt een medicijn vooral in de spieren opgenomen dan zal er minder nodig zijn als we minder spierweefsel hebben. Heeft een medicijn de voorkeur om zich in vetweefsel te nestelen, dan zullen we in het begin meer medicijnen moeten innemen en na een aantal dagen minder omdat het vetweefsel ‘verzadigd’ raakt met het geneesmiddel. Het is dan ook goed voor te stellen dat bij het stoppen van het medicijn het vet zijn opgeslagen medicijn weer prijsgeeft aan het bloed: we nemen niets meer in maar het middel werkt nog steeds.

Daarmee zijn we er nog niet. Het orgaan in ons lichaam dat medicijnen onwerkzaam maakt, is de lever. Wij kunnen wel vinden dat we een geneesmiddel nodig hebben, maar de lever weet niet beter dan dat het om een lichaamsvreemde stof gaat en wil daarom deze indringer meteen onschadelijk maken. Maar de lever is niet meer wat hij geweest is. De hoeveelheid leverweefsel is afgenomen en de bloeddoorstroming door de lever is minder dan vroeger. Meestal levert dat niet meteen een probleem op gezien de riante reservecapaciteit die de lever heeft, maar we kunnen ons toch wel voorstellen dat de lever minder medicijn kan uitschakelen dan voorheen. Een geneesmiddel blijft dus langer werkzaam en we hoeven er dan ook minder van in te nemen.

De lever maakt geneesmiddelen uiteindelijk onschadelijk, waarbij die via de gal het lichaam verlaten, of het maakt er een ‘hapklaar brokje’ van dat zijn weg naar de nieren vindt, waarna het wordt uitgescheiden. Dit medicijnvervoer naar de nieren vindt plaats via de bloedbaan. Omdat de nieren ook onderhevig zijn aan de tand des tijds kunnen ze op oudere leeftijd niet meer op volle toeren draaien. Als senioren een zelfde dosis medicijn innemen als jongeren, kunnen de nieren dat soms niet meer aan en ontstaat er een ophoping van dit middel in het lichaam. Omdat de ‘hapklare brokjes’ nog wel een beetje werkzaam zijn, neemt de kans op bijwerkingen toe. We hoeven dus minder geneesmiddel te slikken. Soms wordt voordat we een medicijn krijgen ons bloed geprikt, waardoor inzicht verkregen wordt in de werking van lever en nieren.

De ‘standaardoudere’ bestaat niet. We zijn niet de familie Doorsnee. We verschillen in aanleg, levenswijze, ziekte en ervaring, waardoor we op hoge leeftijd wat gezondheid en reserves betreft enorm kunnen verschillen. Dat de lever- of nierfuncties op oudere leeftijd achteruit kunnen gaan, hoeft dan ook niet te betekenen dat ze bij alle ouderen achteruit gaan. Daarom zijn de bovengenoemde kenmerken betrekkelijk en moet individueel bekeken worden welke dosering medicijn het beste is.

Boek Medicijnen voor Senioren, 2015 (333 pagina’s, prijs € 21) is verkrijgbaar bij Bol.com en de boekhandel, en te leen in de Nederlandse en Vlaamse bibliotheken.

Jan van Ingen Schenau is zelf senior en werkzaam geweest als specialist ouderengeneeskunde. Daarbij was Jan gedurende tien jaar hoofdredacteur van Silhouet, een tijdschrift over angst en depressie.
 

Wilt u dit artikel lezen?

Als abonnee kunt u dit artikel gratis lezen door in te loggen op uw account. Nog geen abonnee? Sluit nu een abonnement af.

Andere artikelen van Medisch Dossier

Luister naar je gevoel maar bepaal zelf je handelen

De positieve effecten van voetreflextherapie

Gordelroos en netelroos; een natuurlijke blik

Gastcolumn: Emoties kun je als voedsel verteren

De borsten

Column dr. Wendy Lin; Handzenuw in de knel

Anderhalf jaar geleden kwam een man in mijn praktijk. Hij was net gepensioneerd. Zijn hele leven was hij internationaal correspondent geweest, dus hij had veel tijd achter zijn toetsenbord doorgebracht. Tuinieren was de hobby waarin hij altijd zijn rust had gevonden....

Medisch Dossier avatar

Over de auteur

Lees meer artikelen van Medisch Dossier