26-07-2008

AIDS: een evaluatie van de ‘geneesmiddelen’

AIDS is een van die ziektes die de moderne geneeskunde zogenaamd ‘tot stand’kan brengen met een krachtige cocktail van medicijnen. Maar dr. Mae-Wan Ho, een vooraanstaand onderzoeker, heeft ontdekt dat het middel vaak nog erger is dan de kwaal en dat natuurlijke middelen misschien nog wel de beste zijn.

 

De Food and Drug Administration (FDA) heeft negentien enkelvoudige geneesmiddelen en twee combinatiemiddelen goedgekeurd voor de behandeling van HIV/AIDS. Deze kunnen we in vier groepen verdelen. De eerste groep zijn de DNA chain terminators. Hiertoe behoren nucleoside analogen zoals AZT, die in de jaren zestig zijn ontwikkeld als een cytotoxische (dat wil zeggen voor cellen giftige) chemotherapie bij kanker. Deze geneesmiddelen hebben niet alleen een remmende werking, ze zijn ook een aangrijpingspunt (substraat) voor de enzymen die verantwoordelijk zijn voor de synthese (aanmaak ) van DNA bij de mens. Ze worden als substraat opgenomen in groeiende DNA-ketens en maken zo een einde aan de keten die de cellen doodt of anderszins beschadigt. Alle nucleoside analogen tegen HIV hebben een black box-etiket (de zwaarste waarschuwing die de FDA uitgeeft en die vermeld staat op het etiket van op recept verkrijgbare geneesmiddelen), waarin gewaarschuwd wordt tegen ernstige levensbedreigende toxische eigenschappen, zoals vergaande algemene verslapping van het immuunsysteem, bloedarmoede, verzuring van de moedermelk, leverbeschadiging en talloze andere nare effecten.
De non-nucleoside analoog nevirapine is niet minder giftig. Dit middel heeft een eigen black box-etiket dat waarschuwt voor levensbedreigende leververgiftiging en levensbedreigende huidreacties. Deze toxische chain terminators worden meestal voorgeschreven in een hoge dosering, bijvoorbeeld vijf capsules van 100 mg per dag, zelfs bij zwangere vrouwen.
De tweede groep bestaat uit HIV-proteaseremmers, die zijn bedoeld om de opbouw van HIV af te remmen. Omdat er geen therapeutische effecten zijn waargenomen bij de lage doses waarin deze remmers de HIV-celdeling in een reageerbuis blokkeren, is de voorgeschreven ‘antivirale’ dosis vier of vijf keer zo groot (1 à 2 gram per dag). Dat is minstens vijftig keer de hoeveelheid die nodig is om het darmenzym aspartylprotease cathepsine af te remmen. Muizen zonder cathepsine ontwikkelen anorexia, hun milt en zwezerik gaan helemaal kapot, wat gepaard gaat met een ernstig verlies aan T- en B-cellen en ze gaan binnen ongeveer 26 dagen dood. Andere bijwerkingen zijn lipodystrofie (herverdeling van het lichaamsvet), verhoogd cholesterol- en triglyceridegehalte, diarree en verstoring van de stofwisseling.
De derde groep is HAART (highly active antiretroviral therapy) en bestaat uit een cocktail van medicijnen met AZT en andere DNA chain terminators, aangevuld met proteaseremmers. Ernstige neveneffecten zijn lever- en nierinsufficiëntie, neutropenie, bloedarmoede, AIDS-bepalende aandoeningen en overlijden.
De vierde en nieuwste groep zijn de fusieremmers, een nieuwe categorie geneesmiddelen. Deze werken tegen HIV doordat ze voorkomen dat het virus met de cel versmelt voordat het de cel binnendringt. Er is tot nu toe nog maar één fusieremmer goedgekeurd en die mag alleen gebruikt worden bij mensen met HIV die resistent zijn geworden tegen de beschikbare antiretrovirale middelen. Bijwerkingen die in klinisch onderzoek zijn ontdekt zijn jeuk, zwellingen, pijnlijke en gevoelige plekken, huidverharding en bultjes op de plaats van de injectie, ernstige allergische reacties bij minder dan één procent van de patiënten en een toenemend aantal gevallen van bacteriële longontsteking.
 

Werkzaamheid niet bewezen
De Verklaring van Durban van 2000 stelt dat ‘de toename in AIDS-sterfte met 80 procent is gedaald’ en ‘de overgang naar AIDS is vertraagd’ door de medicijnen tegen HIV, maar deze uitspraken worden niet door empirische gegevens bevestigd.1 De National Institutes of Health in de VS voerden in 1987 in samenwerking met de geneesmiddelenfabrikant Burroughs Wellcome een onderzoek naar AZT uit in verband met de officiële vergunning. Uit deze studie bleek dat slechts één van de 145 AIDS-patiënten was overleden na vier maanden AZT te hebben gebruikt, terwijl er in de controlegroep die een placebo kreeg negentien van de 139 waren gestorven.2
Maar van degenen in de AZT-groep die nog in leven waren, konden er dertig alleen in leven worden gehouden met meervoudige bloedtransfusies, omdat het aantal rode bloedcellen bij hen flink was afgenomen. Daarnaast hadden veel AZT-gebruikers last gekregen van levensbedreigende afname van het beenmerg, neutropenie (weinig neutrofiele witte bloedcellen), macrocytose (rode bloedcellen van te grote afmetingen, houdt verband met bloedarmoede), hoofdpijn, slapeloosheid en myalgie (spierpijn), wat weinig goeds voorspelde voor de resterende levensduur.
Het rapport over het grootste placebogecontroleerde klinische onderzoek naar de directe en uitgestelde behandeling met AZT bij HIV-positieve patiënten zonder symptomen, de Frans-Britse Concorde studie, is in 1994 gepubliceerd. In deze studie werd bij 1749 HIV-positieve, voornamelijk mannelijke homoseksuelen, verdeeld over een groep met AZT-behandeling en een groep zonder behandeling, onderzocht wanneer AIDS optrad en wanneer zij overleden. Hieruit bleek dat AZT niet bij machte was AIDS te voorkomen. Integendeel, het gebruik van AZT ging samen met een overmaat aan levensbedreigende en andere ernstige negatieve effecten.3
De nieuwe geneesmiddelencocktails waren geen haar beter. Volgens een artikel op de voorpagina van de New York Times in 1997 had dr. Anthony Fauci, directeur van het National Institute of Allergy and Infectious Diseases (NIAID), verklaard: ‘Er is een groeiend percentage mensen bij wie het virus na verloop van tijd doorbreekt. Een halfjaar, acht maanden of zelfs een jaar gaat het heel goed met deze mensen, maar na een tijdje begint het virus bij een groot aantal van hen terug te komen.’ Fauci schat dat wanneer rekening wordt gehouden met deze gevallen van ‘virale doorbraak’, de nieuwe geneesmiddelencocktails misschien wel in 50 procent van de gevallen geen succes hebben.
De Amerikaanse regering heeft ten slotte in 2001 een commissie van deskundigen ingesteld die de anti-HIV-therapie moest beoordelen. Dit leidde tot de aanbevelingen minder snel medicijnen tegen HIV voor te schrijven en de behandeling van het AIDS-virus bij mensen zonder symptomen zo lang mogelijk uit te stellen vanwege de ernstige bijwerkingen. De bijwerkingen die genoemd werden zijn: zenuwbeschadiging, verzwakte botten, een ongebruikelijke opeenhoping van vet in de nek en in de buik (lipodystrofie), diabetes en een gevaarlijk hoog cholesterolgehalte en veel andere vetten in het bloed, wat problemen met het hart zou kunnen geven.
 

De toxiciteit van geneesmiddelen die levenslang gebruikt moeten worden
Al binnen een jaar na het verschijnen van HAART had dr. Jay Levy, een vooraanstaand AIDS-onderzoeker van de faculteit Geneeskunde van de Universiteit van Californië in San Francisco, zijn bezorgdheid uitgesproken over de snelle behandeling van mensen zonder symptomen4, omdat dit tot gevolg bleek te hebben dat het immuunsysteem werd onderdrukt en deze mensen kwetsbaarder voor het virus werden.
Onderzoekers vragen zich nu af of AIDS-patiënten deze geneesmiddelen wel langer dan twee jaar dienen te gebruiken. In een studie die in 2004 is gepubliceerd, hebben onderzoekers van het Parijse Necker-ziekenhuis zich geconcentreerd op patiënten met een HIV-infectie die met HAART werden behandeld en bij wie deze behandeling als ‘bijzonder geslaagd’ werd beschouwd. Een behandeling werd zo genoemd wanneer binnen een halfjaar na het begin van de eerste HAART-behandeling de hoeveelheid virus (viral load) geringer was en wanneer deze vermindering gedurende vier jaar of langer werd vastgehouden.
Van de 217 patiënten die aan dit onderzoek meededen, zijn er dertien overleden, negentien konden niet de gehele onderzoeksperiode worden gevolgd en bij slechts 41 (minder dan 20 procent) werd de behandeling als ‘zeer geslaagd’ beschouwd. Zij konden ook langer dan 48 maanden gevolgd worden. Van deze 41 zijn er twee na zestig maanden overleden, de een aan terminale leverinsufficiëntie en de ander aan lymfoom, maar bij beiden kon nog steeds geen virus in het plasma worden aangetoond. Alle andere patiënten maakten het klinisch goed, behalve wat het syndroom lipodystrofie betreft, dat bij 58,5 procent aanwezig was.
De onderzoekers concludeerden: ‘Het is steeds moeilijker voor te stellen dat een anti-HIV-behandeling het hele verdere leven kan voortduren, gezien de bijwerkingen die voor de lange termijn worden beschreven, zoals lipodystrofie (in ons onderzoek bij bijna 60 procent van de patiënten aangetroffen), verstoring van de stofwisseling, een mogelijk toegenomen kans op hart- en vaatziekten, een toxisch effect op de mitochondriën (energie producerende structuren in de cel) en een gewijzigde kwaliteit van leven.’
Met andere woorden, het ongemak van een langdurige behandeling weegt misschien niet op tegen het voordeel dat het aantal CD4-cellen op een hoog niveau blijft, terwijl een behandeling van langer dan twee tot vier jaar niet tot gevolg heeft dat de hoeveelheid virus verder afneemt.5 Het is nu gebruikelijk dat patiënten even ‘vakantie’ nemen van zo’n behandeling met toxische medicijnen, als hun AIDS-markers dat toestaan.
 

Schadelijke effecten bij kinderen
Een onderzoeksteam van het coördinatiecentrum van het Italiaanse Register voor HIV-infecties bij Kinderen heeft HIV-geïnfecteerde kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap AZT kregen, vergeleken met HIV-geïnfecteerde kinderen van moeders die geen AZT tijdens de zwangerschap hadden gekregen.6
Het ging in totaal om 216 jonge kinderen die met HIV waren besmet: bij 38 had de moeder AZT gebruikt, terwijl er 178 waren geboren zonder dat de moeder dit geneesmiddel had gebruikt. De twee groepen verschilden niet wat de frequentie betreft waarmee de kinderen op verschillende momenten na de geboorte antivirale medicijnen hadden gekregen. Omdat het sterftecijfer onder de kinderen van moeders die AZT hadden gekregen, snel toenam, werden de analyses beperkt tot de eerste drie levensjaren.
Uit de resultaten bleek dat de kinderen van de AZT-moeders in vergelijking met de kinderen van moeders die geen AZT hadden gebruikt, 1,8 keer zoveel kans hadden op een ernstige ziekte, 2,4 keer zoveel kans op een sterke onderdrukking van de immuunreactie en 3,2 keer zoveel kans op overlijden.
Ondanks deze uitkomsten, die tegen het gebruik van AZT tijdens de zwangerschap pleiten en die afbreuk doen aan het veronderstelde voordeel dat HIV minder gauw op de foetus wordt overgebracht, concludeerden de onderzoekers dat de prenatale AZT-behandeling was mislukt. Zij deden een oproep eerder te beginnen met een nog agressievere antivirale behandeling.
In een ander onderzoek van meer recente datum werden 152 jonge kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap geen AZT hadden gebruikt, vergeleken met 139 kleine kinderen van moeders die wel AZT gebruikten. De overdracht van HIV was significant afgenomen: van 22,3 procent bij de kinderen van moeders die dit middel niet kregen naar 12,2 procent bij de moeders die wel AZT hadden gebruikt.
Onder de geïnfecteerde kinderen werd bij 29,4 procent van de medicijnvrije groep een snelle progressie van de aandoening waargenomen, tegen 70,6 procent bij de groep die AZT gebruikte.7 Met andere woorden, 8,61 procent van de kinderen van wie de moeder tijdens de zwangerschap AZT gebruikte, vertoonde een snelle progressie naar AIDS, tegen 6,55 procent van de kinderen wier moeders geen AZT hadden gebruikt toen zij zwanger waren.
Er is nog maar één groot onderzoek met follow-up gedaan bij HIV-negatieve kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap met anti-HIV-middelen waren behandeld. In totaal werden 1754 Franse kinderen gevolgd wier moeder had blootgestaan aan AZT of andere geneesmiddelen tegen HIV in het kader van de behandeling van de moeder tijdens haar zwangerschap. De onderzoekers vonden acht kinderen met disfunctionerende mitochondriën, die allemaal HIV-negatief waren. Vijf kinderen, van wie er twee overleden, vertoonden uitgestelde neurologische symptomen en drie waren vrij van symptomen, maar vertoonden wel ernstige biologische of neurologische afwijkingen. Alle kinderen vertoonden een abnormaal lage activiteit in een of meer complexen van de ademhalingsketen (die een rol spelen bij de energiehuishouding in het mitochondrium).8
In een eerder follow-uponderzoek hadden kinderen onverklaarbare symptomen aan het hart en de ogen9 die verband zouden kunnen houden met slecht functionerende mitochondriën.
 

Overleven zonder medicijnen
AIDS-onderzoeker Peter Duesberg en zijn collega’s citeren elf gepubliceerde wetenschappelijke artikelen over mensen die HIV-positief waren en meer dan tien jaar lang in leven bleven zonder antivirale therapie.10 Er zijn ook verschillende anekdotes die deze verhalen bevestigen, bijvoorbeeld over mensen die stopten met het gebruik van anti-HIV-medicijnen omdat ze er heel erg ziek van werden en daarna nog jarenlang bleven leven.
De meeste AIDS-onderzoekers erkennen het bestaan van ‘een kleine minderheid’ die ondanks een HIV-infectie nog lange tijd blijft leven en die hetzij een langzame hetzij helemaal geen progressie naar de aandoening AIDS vertoont. Er bestaan geen officiële schattingen van het aantal HIV-geïnfecteerden die langzaamaan AIDS ontwikkelen of helemaal niet. Onder 539 mannen in San Francisco, die al minstens tien jaar met HIV waren besmet, hadden er 42 (8 procent) een CD4-aantal van meer dan 500 en zij zouden dus worden gerekend tot degenen die geen AIDS ontwikkelden.
Maar 31 procent had geen AIDS gekregen, hetgeen betekent dat een aanzienlijke minderheid met weinig CD4-cellen heel goed nog lang gezond kan blijven. Onderzoekers begrijpen dit gewoon niet, en zij weten evenmin hoe groot het percentage is dat ondanks een beschadiging van het immuunsysteem toch gezond blijft.
In een ander onderzoek bleek dat 20 procent van een groep van 579 homoseksuele mannen met een CD4-aantal van minder dan 200 toch drie jaar lang geen AIDS ontwikkelde.11
Er wordt gediscussieerd over de vraag of er echt wel mensen zijn die geen AIDS ontwikkelen vanuit HIV. Er zijn echter aanwijzingen dat sommige mensen niet alleen geen AIDS ontwikkelen, maar ook in staat zijn de HIV-infectie onder controle te houden met een spontane afname aan HIV-DNA.
In nog lopende studies worden mensen die snel en mensen die langzaam AIDS ontwikkelen, met elkaar vergeleken om na te gaan welke andere factoren een rol spelen, bijvoorbeeld levensstijl. Een recent rapport wijst erop dat wanneer de ziekte langzaam naar AIDS voortschrijdt, dit gepaard gaat met zeldzame varianten van menselijke leukocyt-antigenen (HLA), die betrokken zijn bij de immuunreactie tegen virussen en bacteriën. Claus Koehnlein heeft in 1985 in het Duitse Kiel een onderzoek gedaan onder 36 AIDS-patiënten die zich vrijwillig hadden aangemeld om van iedere anti-HIV-behandeling af te zien.12 Slechts drie van hen zijn overleden nadat bij hen anti-HIV-antilichamen waren ontdekt, twee na zestien jaar en een na tien jaar. De meesten hebben zich hersteld van hun eerste, op AIDS wijzende symptomen. In tegenstelling hiermee is in dezelfde periode 63 procent van alle AIDS-patiënten in Duitsland (11.700 van de 18.700) overleden, terwijl de meesten van hen sinds 1987 met medicijnen tegen HIV zijn behandeld.13
Het lijkt er nu op dat afzien van een behandeling tegen HIV een belangrijke factor is die ertoe bijdraagt dat mensen met HIV of AIDS nog lang in leven blijven.
Mae-Wan Ho
Dit artikel is in aangepaste versie ontleend aan: Mae-Wan Ho, Sam Burcher, Rhea Gala en Veljko Veljkovic, Unravelling AIDS: The Independent Science and Alternative Therapies. Ridgefield, CT: Vital Health Publishing, 2005.
 

1 Nature, 2000; 406: 15-16
2 N Engl J Med, 1987; 317: 185-191, 192-197
3 Lancet, 1994; 343: 871-881
4 Lancet, 1998; 352: 982-983
5 AIDS, 2004; 18: 45-49
6 AIDS, 1999; 13: 927-933
7 J Acquir Immune Def Syndr, 2000; 24: 154-161
8 Lancet, 1999; 354: 1084-1089
9 JAMA, 1999; 281: 151-157
10 J Biosci, 2003; 28: 383-412
11 J Biosci, 2003; 28: 383-412
12 J Biosci, 2003; 28: 383-412
13 Epidemio Bull, 2000; 15: 1-16
 

kader
HAART-loos
Er zijn nieuwe gegevens naar boven gekomen waaruit blijkt dat HAART-patiënten kans lopen op ernstige bijwerkingen én AIDS, waarbij het eerste risico ongeveer twee keer zo groot is als het laatste. In december 2003 is een onderzoek gepubliceerd waarin de gegevens zijn geanalyseerd van vijf HAART-studies aan verschillende Amerikaanse behandelcentra. Deze maakten tussen 1996 en 2001 gebruik van een gemeenschappelijk systeem om ongunstige ontwikkelingen, gevallen van AIDS en sterfgevallen te melden. Daarbij waren in totaal 2947 patiënten betrokken die gedurende een periode van gemiddeld 20,7 maanden gevolgd werden.1
Een ernstige of levensbedreigende bijwerking werd ervaren door 675 patiënten, 332 ontwikkelden een AIDS-bepalende aandoening en 272 overleden. Het cumulatieve percentage patiënten met een ernstige of levensbedreigende bijwerking was na 12 maanden 15,6, na 24 maanden 23,7 en na 36 maanden 30,8. De corresponderende percentages voor het ontstaan van AIDS waren respectievelijk 7,3, 10,8 en 16,5, terwijl het relatieve aantal sterfgevallen respectievelijk 3,9, 7,9 en 13,1 procent bedroeg.
De kans op een ernstige of levensbedreigende bijwerking was significant kleiner bij jongere patiënten en bij degenen die nog niet eerder anti-HIV-medicijnen hadden gehad. Het risico liep op voor degenen die al eens eerder injecties hadden gehad, een lagere uitgangswaarde voor het aantal CD4-cellen hadden of al eerder een AIDS-bepalende aandoening hadden gehad. De meest gemelde bijwerkingen hadden te maken met de lever. Vrouwen hadden een verhoogd risico op ernstige of levensbedreigende neutropenie, terwijl mensen van Afrikaanse afkomst een verhoogd risico hadden op neutropenie, bloedarmoede en problemen met de nieren. Van de 272 patiënten die overleden, hadden er 159 een ernstige levensbedreigende reactie en een AIDS-bepalende ziekte.
1 J Acquir Immune Def Syndr, 2003; 34: 379-386
 

kader
Natuurlijke kruiden tegen AIDS
Hierna vindt u de traditionele kruiden die voor deze symptomen worden voorgeschreven in het Ngwelezane-ziekenhuis in Zuid-Afrika. Drie van elke vier AIDS/HIV-patiënten in Afrika vertrouwen voor hun behandeling op een of andere vorm van traditionele geneeskunst.
• Hoest, verkoudheid, bronchitis: Lippia javanica (umsuzwane): verse bladeren in een theeaftreksel
• Pijn in de borst: Warburgia salutaris (isibaha): twee verse bladeren in een theeaftreksel; niet bij zwangerschap
• Diarree: Psidium guajava (guave): twee gekneusde bladeren met heel veel vocht: ophouden wanneer symptomen verdwijnen
• Jeukerige, pijnlijke huiduitslag: Centella asiatica (Aziatische waternavel): verse bladeren gemengd met glycerine om er een crème van te maken
• Fucose: zeewier: kelp, wakame, biergist
• Hoofdpijn, ademnood: Artemisia afra (umhylonyane): inhaleren van verse aromatische bladeren in een gazen zakje om de symptomen te verlichten
• Weinig energie, verzwakking: Hypoxis hemerocallidea (inkomfe): zwak aftreksel van de Afrikaanse aardappelknol; een uitstekend versterkend drankje, maar mag alleen worden gebruikt onder medisch toezicht
• Gewichtsverlies, weinig eetlust: Sutherlandia frutescens (unwele): tabletten van gedroogde bladeren, tweemaal daags een tablet van 300 mg bij de maaltijd (voor kinderen halve dosis)
• Zweren in de mond of op het lichaam, gezwellen: Bulibine frutescens (ibhucu): sap van de bladeren, rechtstreeks toegepast of verwerkt in een crème
Keelinfecties: Siphononchilus aethiopicus (Afrikaanse gember; indungulu): tabletten van wortelstokken afkomstig van verse wortels
 

Wilt u dit artikel lezen?

Als abonnee kunt u dit artikel gratis lezen door in te loggen op uw account. Nog geen abonnee? Sluit nu een abonnement af.

Andere archief artikelen

Uitgelezen; Wie ben ik als niemand kijkt

Liesbeth Woertman onderzoekt in dit boek het leven van vrouwen in vooral de derde levensfase (na de pensionering) en de laatste vierde levensfase (vanaf ongeveer 75 jaar). Wat betekent het voor hen om een ouder lichaam te hebben in een tijd van geseksualiseerde,...

Basisrecept voor elke dag

Heb jij dat ook aan het begin van een nieuw jaar? Ik sta altijd een beetje te trappelen van ongeduld. Wat zal het nieuwe jaar aan bijzondere ontmoetingen en ontwikkelingen met zich meebrengen? Voor wat voor uitdagingen komen we te staan? Hoe zullen de seizoenen...

Innerlijke reis; ik blijf me verwonderen

Een tante gaf Kor Koetje een boek uit de boedel van een boer, en dat bracht hem in zijn tienerjaren op het pad van de natuurgeneeskunde. Het was Homeopathie in de praktijk van dr. J. Voorhoeve uit de jaren 20 van de vorige eeuw. Koetjes’ schoonzus was zijn eerste...

Boezemfibrileren vaak niet opgemerkt

Atriumfibrilleren, of boezemfibrilleren, is een veelvoorkomende volksziekte bij mensen op hogere leeftijd. Het wordt niet altijd opgemerkt door de arts of de patiënt. Boezemfibrilleren is goed behandelbaar, maar onbeschermd is er een sterk verhoogde kans op...